ECLI:NL:PHR:2013:1301

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2013
Publicatiedatum
19 november 2013
Zaaknummer
11/04827
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 81 ROArt. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep tegen medeplegen uitvoer cocaïne en strafvermindering wegens termijnoverschrijding

Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van de Opiumwet, namelijk de uitvoer van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne.

De verdachte klaagt over vermeende tegenstrijdigheden in de bewijsmiddelen en over de strafmotivering, met name dat het hof niet expliciet heeft vermeld in welke mate de straf is verminderd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De conclusie stelt dat de bewijsmiddelen onderling niet tegenstrijdig zijn en dat de aard van het bewezenverklaarde feit een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigt.

Verder nuanceert de conclusie de eis tot expliciete motivering van de strafvermindering bij termijnoverschrijding, aangezien het hof heeft vastgesteld dat de termijn met slechts 20 dagen is overschreden en dat de opgelegde straf van 24 maanden in verhouding staat tot de zwaarte van het feit. De conclusie adviseert verwerping van het cassatieberoep en benadrukt het belang van voortvarende behandeling om termijnoverschrijding te voorkomen.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; strafvermindering wegens geringe termijnoverschrijding bevestigd.

Conclusie

Nr. 11/04827
Mr. Wortel
Zitting 24 september 2013
conclusie inzake
[verdachte]
1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 18 oktober 2011 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij de verdachte wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf.
1.2 Namens de verdachte heeft mr. C.M. Peeperkorn, advocaat te Amsterdam, middelen van cassatie voorgesteld.
1.3 Deze zaak vertoont samenhang met de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder griffienummer 11/04828, waarin ik heden eveneens concludeer.
2. Het
eerste middelklaagt over tegenstrijdigheden in de gebezigde bewijsmiddelen.
De in de toelichting op het middel genoemde punten zijn, zo daarin werkelijk onverenigbaarheden moeten worden gezien – in elk geval is geen enkel bewijsmiddel tegenstrijdig aan de bewezenverklaring – , van zo gering belang dat de redengevendheid van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, niet wordt aangetast.
Het middel faalt
3.1 Het
tweede middelklaagt erover dat het Hof in de strafmotivering heeft aangekondigd bij de strafoplegging rekening te zullen houden met een overschrijding van de redelijke termijn, maar heeft verzuimd te vermelden in welke mate de straf om die reden is verminderd.
3.2 Ik meen dat er in dit 80a-RO tijdperk alle reden is de jurisprudentiële eis waarop het middel doelt te nuanceren. Het Hof heeft met zoveel woorden vastgesteld dat de termijn van twee jaar in hoger beroep met 20 dagen is overschreden. Daarmee heeft het Hof in ieder geval tot uitdrukking gebracht dat slechts een geringe strafreductie aan de orde kan zijn. Voorts in aanmerking genomen dat in dit geval 24 maanden gevangenisstraf is opgelegd voor een feit – betrokkenheid bij de uitvoer van hard drugs naar het buitenland – waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaren kan volgen en dat ook in de praktijk met onvoorwaardelijke gevangenisstraf van niet geringe duur pleegt te worden afgedaan, valt zonder nadere toelichting niet in te zien welk rechtens te respecteren belang de verdachte bij deze klacht kan hebben.
4. Het
derde middelklaagt eveneens over de strafmotivering, ditmaal met de klacht dat het Hof heeft verzuimd de bijzondere redenen te vermelden die een vrijheidsbenemende straf aangewezen maken.
Die redenen liggen reeds besloten in de aard van het bewezenverklaarde feit. Betrokkenheid bij het uitvoeren van niet onaanzienlijke hoeveelheden cocaïne, bij diverse gelegenheid gedurende ongeveer een half jaar, is een zo ernstige aantasting van de rechtsorde dat een andere straf dan gevangenisstraf bepaald verbazing zou wekken. Het middel faalt dus.
5.1 In elk geval het eerste en het derde middel lenen zich voor toepassing van art. 81 RO Pro.
5.2 Uiterst voortvarende (verdere) behandeling van dit beroep zou nog kunnen voorkomen dat de daarvoor geldende redelijke termijn wordt overschreden. Met die kanttekening strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
wnd A-G