Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het verbod van de Opiumwet, namelijk de uitvoer van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne.
De verdachte klaagt over vermeende tegenstrijdigheden in de bewijsmiddelen en over de strafmotivering, met name dat het hof niet expliciet heeft vermeld in welke mate de straf is verminderd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De conclusie stelt dat de bewijsmiddelen onderling niet tegenstrijdig zijn en dat de aard van het bewezenverklaarde feit een vrijheidsbenemende straf rechtvaardigt.
Verder nuanceert de conclusie de eis tot expliciete motivering van de strafvermindering bij termijnoverschrijding, aangezien het hof heeft vastgesteld dat de termijn met slechts 20 dagen is overschreden en dat de opgelegde straf van 24 maanden in verhouding staat tot de zwaarte van het feit. De conclusie adviseert verwerping van het cassatieberoep en benadrukt het belang van voortvarende behandeling om termijnoverschrijding te voorkomen.