ECLI:NL:PHR:2013:1309

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 oktober 2013
Publicatiedatum
19 november 2013
Zaaknummer
12/04649
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk in drugshandel, diefstal en poging zware mishandeling

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 4 september 2012, waarin verdachte werd veroordeeld voor het verstrekken en vervoeren van heroïne en cocaïne, diefstal van een mobiele telefoon en poging tot zware mishandeling.

Het cassatieberoep bevatte drie middelen: het eerste middel richtte zich tegen de bewezenverklaring van drugshandel in de periode van januari tot maart 2011, waarbij de Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht uit de bewijsmiddelen en getuigenverklaringen kon afleiden dat verdachte in die periode handelde in verdovende middelen.

Het tweede middel betrof de bewezenverklaring van diefstal van een mobiele telefoon en simkaart, waarbij het hof aannam dat verdachte zich het goed wederrechtelijk had toegeëigend, ook al was het toestel later teruggegeven. De Hoge Raad verwierp dit middel omdat het hof terecht het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening aannam.

Het derde middel betrof de bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling. Het hof had geoordeeld dat de gedragingen van verdachte, waaronder twee stekende bewegingen met een lemmet van 15 à 20 cm, geschikt waren om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof deze bewezenverklaring voldoende had gemotiveerd.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de middelen niet tot cassatie konden leiden.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.

Conclusie

Nr. 12/04649
Zitting: 29 oktober 2013
Mr. Vegter
Standpunt/conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 4 september 2012. Er is tijdig een schriftuur houdende drie middelen van cassatie ingekomen.
2. Het
eerste middelkomt op tegen de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde en klaagt in de eerste plaats dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 maart 2011 opzettelijk heroïne en cocaïne heeft verstrekt en vervoerd. Anders dan de steller van het middel meent kan het bewezenverklaarde, ook voor wat betreft de bewezenverklaarde periode uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Met betrekking tot de begindatum heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk de verklaring van de getuige [getuige] tot uitgangspunt genomen, inhoudende dat hij sinds januari 2011 weer in Gouda woont en dat de verdachte een (daar) bekende dealer is, terwijl voorts uit het geheel van de bewijsmiddelen zonder meer blijkt dat de verdachte in ieder geval tot zijn aanhouding op 21 maart 2011 in verdovende middelen handelde. De eerste in het middel vervatte klacht is dan ook kansloos. In de tweede plaats klaagt het middel dat het Hof de bewezenverklaring op niet redengevende bewijsmiddelen heeft doen steunen. Ook in zoverre is het middel kansloos. Immers het als bewijsmiddel 16 gebezigde proces-verbaal van bevindingen is weliswaar niet redengevend voor de bewezenverklaarde periode, maar bevestigt wel de verklaringen van de verdachte dat hij zich bezig houdt met het verstrekken van drugs in Gouda en is in zoverre dan ook redengevend voor de bewezenverklaring. Daarnaast heeft het Hof redengevende betekenis kunnen toekennen aan de in het als bewijsmiddel 21 gebezigde proces-verbaal van bevindingen gerelateerde omstandigheid dat het voertuig van de verdachte tussen 5 maart 2011 en 20 maart 2011 diverse keren is vastgelegd op de route Den Haag – Gouda, nu dit de verklaring van de verdachte bevestigt dat hij naar Gouda ging om te ‘hosselen’. Tenslotte heeft het Hof ook de als bewijsmiddel 15 gebezigde verklaring van de getuige [getuige] redengevend voor het bewijs kunnen achten, daar het Hof de door hem gerelateerde omstandigheden (de verdachte is altijd op de fiets, is een bekende dealer en dealt in cocaïne, heroïne en speed) heeft gebruikt om het dealen in een context te plaatsen, waarmee die omstandigheden in zoverre eveneens redengevend voor de bewezenverklaring zijn.
3. Het
tweede middel, dat opkomt tegen de onder 4 bewezenverklaarde diefstal van enig goed, is kansloos, nu - anders dan de steller van het middel meent - het bewezenverklaarde uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Indien het Hof door bewezen te verklaren dat de verdachte zich enig goed toebehorende aan [betrokkene] wederrechtelijk heeft toegeëigend het oog heeft gehad op de mobiele telefoon, heeft te gelden dat de omstandigheid dat een eerder gestolen voorwerp later door de dief aan de eigenaar wordt teruggegeven, niet in de weg behoeft te staan aan een bewezenverklaring van diefstal, nu de verdachte ook in dat geval ten tijde van het wegnemen het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening kan hebben gehad en als heer en meester over het betreffende goed heeft kunnen beschikken. Dat de verdachte hier als heer en meester over de telefoon heeft beschikt, blijkt alleen al uit het feit dat hij daaruit de simkaart heeft verwijderd alvorens het toestel terug te geven. Indien het Hof door bewezen te verklaren dat de verdachte zich enig goed toebehorende aan [betrokkene] wederrechtelijk heeft toegeëigend het oog heeft gehad op de simkaart, heeft te gelden dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte bedoelde simkaart uit de telefoon van [betrokkene] heeft verwijderd en niet heeft teruggegeven, zodat ook wat betreft de simkaart het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Dat namens het slachtoffer geen aangifte is gedaan van diefstal van de betreffende simkaart, maar slechts van het toestel waarin deze simkaart zat, maakt dat niet anders, terwijl er voorts, nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, vanuit gegaan mag worden dat de zich in het toestel van [betrokkene] bevindende simkaart eveneens aan haar toebehoort.
4. Het
derde middelkomt op tegen de motivering van de bewezenverklaring van de onder 9 tenlastegelegde poging tot zware mishandeling. Gelet op hetgeen het Hof in de bewijsmiddelen heeft vastgesteld, te weten dat de gedragingen van de verdachte niet geëigend zijn geweest zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, is de bewezenverklaring volgens de steller van het middel onvoldoende met reden omkleed. Het middel gaat daarbij uit van een verkeerde lezing van de betreffende overwegingen van het Hof. Het Hof heeft niet overwogen dat de gedragingen van de verdachte niet geëigend waren om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, maar slechts dat indien het slachtoffer geen leren jas aan had gehad de verdachte hem ernstiger zou hebben kunnen verwonden. Daar komt bij dat op basis van diens vaststellingen dat de verdachte tot tweemaal toe een stekende beweging heeft gemaakt in de richting van het bovenlichaam van het slachtoffer (ter hoogte van de oksel) met een puntig voorwerp (met een lemmet van 15 a 20 cm), het Hof heeft kunnen oordelen dat die gedragingen naar hun aard geschikt zijn om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en dat de verdachte zich bewust moet zijn geweest dat zulk letsel het gevolg van zijn gedragingen kon zijn. Ook het derde middel is kansloos.
5. Het standpunt is dat verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het beroep in cassatie, nu de middelen klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG