Conclusie
inzake
1. Inleiding
2. Feiten
4. Bespreking van het cassatieberoep
voorbeeldgenoemde gevallen, van een merkdepot te kwader trouw sprake kan zijn. In het uitvoerige vervolg van rov. 14, is een eis van een ‘rechtstreekse betrekking’ in het geheel niet (meer) aan de orde.
buitendie sector algemene bekendheid zouden hebben moeten genieten.
anderecontext ingegaan op een maatstaf met betrekking tot ‘algemene bekendheid’. Daarbij ging het niet om de aan [verweerder] verweten kwade trouw, maar om een
anderedoor Wendy’s International ingeroepen nietigheidsgrond: voor een depot van een merk dat verwarring kan stichten met een
algemeen bekendmerk in de zin van art. 6bis van het Verdrag van Parijs. [10] Die nietigheidsgrond stond in art. 4, aanhef en onder 5o BMW en staat sedert 1 september 2006 in art. 2.2 lid 1, aanhef en onder e BVIE [11] . In dit kader is het hof ingegaan op een (nieuw) criterium volgens art. 16 lid 2 van Pro het TRIPS-verdrag van 1994. Volgens het TRIPS-verdrag is algemene bekendheid buiten ‘de betrokken economische sector’ niet meer nodig. Het hof gaf in rov. 4 aan dat om overgangsrechtelijke reden in casu toch het (strengere) oude criterium moet gelden.
(b) het tussen partijen vaststaande feit dat [verweerder] een in Yerseke woonachtige, lokaal (in Goes) zaak doende ondernemer is;
Wendy’s, laat staan daarmee ook daadwerkelijk bekend was (laat staan dat reeds uit die bekendheid kwade trouw kan worden afgeleid, vgl. rov. 37 van het arrest Yakult / Malaysia Dairy).
‘De stelling dat [verweerder] een onderzoek had moeten verrichten in het merkenregister baat haar evenmin: voor zover een dergelijke verplichting (met het oog op het voorkomen van een depot te kwader trouw) al zou kunnen worden aangenomen, volgt daaruit nog niet dat de derde het teken ook daadwerkelijk gebruikt en dat verwarring zou kunnen ontstaan’) heeft het hof ook deze omstandigheid in de overwegingen betrokken.
relevantzouden zijn. Het is begrijpelijk dat het hof in de omstandigheid dat een rechtzoekende bij een rechtshelper (hier: een merkenagent) te rade gaat, niet een relevante omstandigheid ten detrimente van de partij die dat deed, heeft gezien. Dat oordeel behoefde geen motivering.
kanmeebrengen, maar gerede twijfel over geldigheid van de in het register te vinden merken (in verband met niet-gebruik gedurende meer dan vijf jaar [15] ) aan het aannemen van die kwade trouw in de weg staat, en als bovendien die ongeldigheid krachtens verval vaststaat (vgl. nr. 4.7.3, laatste alinea), kan – anders dan de klacht wil – in het niet-raadplegen van het merkenregister onmogelijk een factor gezien worden die op zichzelf zou ‘nopen’ – of in samenhang met andere omstandigheden kan ‘nopen’ – tot het aannemen van kwade trouw. Met name valt niet aan te nemen dat het eventueel aantreffen van een (vervallen) Benelux-merk de verplichting zou meebrengen om – ter voorkoming van ‘kwade trouw’ – een spontaan onderzoek naar eventueel gebruik van het merk buiten de Benelux te verrichten (de klacht verdedigt dat overigens – terecht – ook niet).
A-G] hoek lag’. De klacht vervolgt met het argument dat indien [verweerder] daadwerkelijk voornemens was zijn handelsnaamgebruik uit te breiden tot buiten Goes maar zich daarin belemmerd voelde door deze procedure, het in de rede had gelegen dat [verweerder] daarin voortvarend(er) zou procederen. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat het door [verweerder] opgevoerde zwaard van Damokles een (afdoende) verklaring zou vormen voor de niet-uitbreiding van zijn handelsnaamgebruik in de laatste 24 jaar.
zijn [18] , terwijl het erom gaat of dat in 1995 het geval was. Dat klemt te meer nu Wendy’s International bij pleidooi voor het hof heeft aangegeven nader bewijs met betrekking tot de gestelde algemene bekendheid in (1988, respectievelijk) 1995, slechts te kunnen leveren door te komen met onderzoeken van na 19
98 [19] . Ook anderszins heeft Wendy’s International geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd en te bewijzen aangeboden waaruit – in weerwil van de hiervoor besproken verweren van [verweerder] – zou kunnen worden afgeleid dat haar merk in 1995 ook in de Benelux algemeen bekend was. Grief I faalt derhalve.’
onderdeel aheeft het hof met zijn (aan het bewijsaanbod in de conclusie van dupliek ontleende) oordeel dat Wendy’s International te bewijzen heeft aangeboden dat haar merk aan de vooravond van het wijzen van ’s hofs arrest of enig ander moment ná [verweerder]’ depot van 16 januari 1995 algemeen bekend is, en geen bewijsaanbod heeft gedaan naar de stand van die datum of daarvóór, een uitleg aan het bewijsaanbod gegeven, die in het licht van de gedingstukken onbegrijpelijk is (of een ontoelaatbare verrassingsbeslissing oplevert). Volgens de uitwerking van deze klacht in punt 4.1.2 blijkt dit (reeds) uit de daar aangehaalde processuele uitlatingen van Wendy’s International.
‘Dat klemt te meer nu Wendy’s International bij pleidooi voor het hof heeft aangegeven nader bewijs met betrekking tot de gestelde algemene bekendheid in (1988, respectievelijk) 1995, slechts te kunnen leveren door te komen met onderzoeken van na 1998’. Volgens het onderdeel ligt hierin besloten een oordeel van het hof dat met onderzoeken van na 1998 (uitsluitend) bewijs wordt (kan worden) geleverd over de algemene bekendheid in de tegenwoordige tijd (althans na 1998). Volgens de klacht loopt het hof daarmee (ontoelaatbaar) vooruit op de uitkomsten van de bewijslevering, nu het niet op voorhand uitgesloten is dat met onderzoeken van na 1998 bewijs wordt geleverd omtrent de gestelde algemene bekendheid in 1995.
‘Ook anderszins heeft Wendy’s International geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd en te bewijzen aangeboden waaruit – in weerwil van de hiervoor besproken verweren van [verweerder] – zou kunnen worden afgeleid dat haar merk in 1995 ook in de Benelux algemeen bekend was.’
Ook anderszins…’, waarmee de in nr. 4.17 geciteerde voorlaatste volzin van rov. 9 aanvangt, ligt besloten ’s hofs kennelijke oordeel dat Wendy’s International óók in haar eerder in rov. 9 besproken bewijsaanbod (nl. de bij pleidooi voor het hof aangegeven nadere bewijslevering met betrekking tot de gestelde algemene bekendheid in 1988 of 1995 door onderzoeken van na 1998), binnen en buiten en dus los van wat ik nu maar noem de in onderdeel b bedoelde ‘retro-’kwestie, ‘
geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd en te bewijzen aangeboden waaruit – in weerwil van de hiervoor besproken verweren van [verweerder] – zou kunnen worden afgeleid dat haar merk in 1995 ook in de Benelux algemeen bekend was’.