Conclusie
Op 4 juli 2007 heeft de Officier van Justitie ten laste van klaagster en [klaagster 4] beslag gelegd op genoemde panden, en wel op de voet van het bepaalde in art. 94 Sv Pro. Het beklag tegen dit beslag heeft de Rechtbank te Amsterdam 26 februari 2008 gegrond verklaard met bevel tot opheffing van het beslag.
Op 26 juli 2011 heeft de Officier van Justitie opnieuw bevel tot inbeslagneming van de panden ten laste van klaagster en [klaagster 4] gegeven, en wel op de voet van het bepaalde in art. 94 lid 2 Sv Pro (voorwerpen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen). Daar is het niet bij gebleven.
Op 16 september 2011 heeft de Officier van Justitie op grond van het bepaalde in art. 94a lid 2 Sv bij de rechter-commissaris gevorderd hem een machtiging te verlenen tot conservatoir beslag op genoemde panden. Deze machtiging is hem 26 oktober 2011 verleend. Vervolgens heeft de Officier van Justitie op 28 oktober 2011 bevel gegeven conservatoir beslag te leggen op genoemde panden.
Op genoemde panden liggen dus twee vormen van beslag, beslag op de voet van het bepaalde in art. 94 lid 2 Sv Pro met het oog op de mogelijkheid van verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, en conservatoir beslag op de voet van het bepaalde in art. 94a lid 2 Sv ter verzekering van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van een misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het onderhavige beklag richt zich tegen beide vormen van beslag.
eerste middelklaagt dat de Rechtbank ten onrechte het beslag gelegd op de voet van art. 94 Sv Pro heeft opgeheven op grond van de overweging dat de herhaalde beslaglegging onrechtmatig is, nu er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden na het eerder gelegde beslag, althans dat de Rechtbank haar oordeel dienaangaande onvoldoende heeft gemotiveerd.
2. Het standpunt van de Officier van Justitie
(…)
3.Het standpunt van klaagster
4.De beoordeling
tweede middelricht zich tegen de opheffing van het beslag gelegd op de voet van art. 94a Sv. Het middel houdt in dat de Rechtbank haar oordeel dat uit het dossier onvoldoende aanwijzingen voortvloeien die de verdenking van witwassen kunnen dragen alsmede om aan te nemen dat bij aankoop van de panden sprake is geweest van een schijnconstructie onvoldoende heeft gemotiveerd.
2. Het standpunt van de officier van justitie(…)
Wat de verdenking van witwassen betreft, wordt klaagster verweten dat zij de panden heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze panden zijn gefinancierd met het geld dat door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] met het plegen van strafbare feiten was verkregen. Gezien de betrokkenheid van [klager 1], de ex-partner van klaagster en [klager 2], de partner van [klaagster 4], bij de panden, is de officier van justitie van mening dat niet kan worden gesteld dat klaagster en [klaagster 4] niet op de hoogte waren van de werkelijke eigendomsverhoudingen met betrekking tot de panden.
Voorts is de kern van het verwijt volgens de officier van justitie gelegen in het aangaan van schijnconstructies en het doen van schijnbetalingen om de werkelijke eigendomsverhoudingen met betrekking tot de panden die van misdrijf afkomstig waren te verhullen. De verklaringen en stukken waaruit blijkt wie de juridische eigenaar van de panden is acht de officier van justitie niet relevant, nu het gaat om de verdenking van verhulling van de werkelijke eigendomsverhoudingen vanaf 2003.
3.Het standpunt van klaagster(…)
De officier van justitie heeft de verdenking geuit dat klaagster als 'strovrouw' zou hebben gefungeerd. Klaagster heeft in 2007 samen met [klaagster 4] de panden gekocht van [A] B.V. De raadsman stelt dat geen bewijs door het openbaar ministerie is aangedragen waaruit blijkt dat [klager 1] en [klager 2] de panden in 2003 hebben gekocht. Voorts kan het enkele gegeven dat [klager 2] en [klager 1] een rol hebben gespeeld bij de onderhandelingen en de uiteindelijke aankoop van de panden in 2007, de verdenking van een schijnconstructie niet dragen.
4.De beoordeling(…)
Dat sprake is van voordeel door middel van een waardevermeerdering is evenmin gebleken. Klaagster heeft onderbouwd dat juist sprake is van een waardevermindering van de panden, hetgeen door de officier van justitie niet wordt betwist.