In deze zaak gaat het om het conservatoir beslag gelegd op panden te Alkmaar, waarvan de eigendom werd betwist in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar witwassen. De rechtbank had het beslag opgeheven omdat zij oordeelde dat onvoldoende aanwijzingen bestonden dat de eigenaars wisten of redelijkerwijs konden vermoeden dat de panden van misdrijf afkomstig waren. De Hoge Raad stelt echter vast dat de rechtbank een verouderd toetsingskader heeft gehanteerd, namelijk dat van artikel 94a lid 3 Sv zoals dat gold vóór 1 juli 2011, terwijl het beslag na die datum is gelegd en het nieuwe toetsingskader van toepassing is.
De wetswijziging per 1 juli 2011 heeft het zogenaamde 'afkomstvereiste' geschrapt, waardoor het niet langer noodzakelijk is aan te tonen dat de in beslag genomen voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn. Het toetsingskader richt zich nu op het kennelijke doel om de uitwinning van de voorwerpen te bemoeilijken en op het weten of redelijkerwijs kunnen vermoeden daarvan door de derde. De rechtbank heeft dit nieuwe criterium niet toegepast en is ten onrechte vooruitgelopen op de uitkomst van de hoofdzaak.
De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis en wijst de zaak terug aan de rechtbank voor een nieuwe beoordeling van het beklag tegen het conservatoir beslag, waarbij het juiste toetsingskader moet worden gehanteerd. Tevens is geoordeeld dat de rechtbank niet verplicht was om uitgebreid te motiveren waarom zij afweek van eerdere beslissingen van de rechter-commissaris en eerdere rechtbankuitspraken, gelet op het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer.
Deze uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van het gewijzigde artikel 94a Sv bij het leggen en beoordelen van conservatoir beslag op vermogen van derden in strafzaken.