ECLI:NL:PHR:2013:1356

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juli 2013
Publicatiedatum
21 november 2013
Zaaknummer
13/00202
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 81 ROArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over rechtmatigheid herhaalde beslaglegging en conservatoir beslag bij verdenking witwassen

In deze zaak gaat het om het cassatieberoep tegen beslissingen van de rechtbank over het opheffen van beslag op panden te Alkmaar, gelegd op grond van artikel 94 en Pro 94a Sv. De panden zijn in beslag genomen in verband met verdenking van (gewoonte)witwassen, waarbij de eigendom en financiering van de panden centraal staan.

De rechtbank had het beslag op grond van artikel 94 Sv Pro opgeheven omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die herhaalde beslaglegging rechtvaardigden. De Hoge Raad bevestigt dat een verdachte niet herhaaldelijk aan dezelfde dwangmiddelen mag worden onderworpen indien de omstandigheden gelijk blijven, en dat een bestuursrechtelijke uitspraak geen nieuw feit is dat hernieuwd beslag kan rechtvaardigen.

Ten aanzien van het conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv oordeelde de rechtbank dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat klaagster wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de panden met crimineel geld waren gefinancierd. Ook is onvoldoende gebleken dat zij wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De Hoge Raad wijst erop dat het onderzoek in raadkamer summier is en dat de rechtbank haar oordeel niet uitgebreid hoefde te motiveren.

De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikkingen en verklaart de klagers niet-ontvankelijk in hun klaagschriften, omdat zij niet hebben gesteld rechthebbende van de inbeslaggenomen zaken te zijn. Hiermee wordt het beslag opgeheven. De middelen van cassatie worden verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de bestreden beschikkingen en verklaart klagers niet-ontvankelijk, waardoor het beslag wordt opgeheven wegens onvoldoende aanwijzingen voor witwassen.

Conclusie

Nr. 13/00202B
Zitting: 2 juli 2013
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[klaagster 4]
1. Bij beschikking van 24 juli 2012 heeft de Rechtbank te Alkmaar het klaagschrift gegrond verklaard en de opheffing gelast van de beslagen ex art. 94 en Pro 94a Sv op de panden aan de [a-straat 1 t/m 4] te Alkmaar.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 12/04116B, 13/00196B, 13/00197B en 13/00202B. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. De plaatsvervangend Officier van Justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het cassatieberoep is namens de klager bij memorie houdende tegenspraak weersproken door mr. D.J.P. van Omme, advocaat te Amsterdam.
4. Het onderhavige beslag heeft betrekking op het beslag gelegd op de panden [a-straat 1 t/m 4] te Alkmaar, eigendom van klaagster en [klaagster 4], (klager in de zaak met het nummer 12/04116). Aan het beslag ligt ten grondslag dat - voor zover hier van belang - klaagster wordt verdacht van (gewoonte)witwassen hierin bestaande dat zij de panden heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze panden waren gefinancierd met het geld dat door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] met het plegen van strafbare feiten was verkregen.
Op 4 juli 2007 heeft de Officier van Justitie ten laste van klaagster [klaagster 4] beslag gelegd op genoemde panden, en wel op de voet van het bepaalde in art. 94 Sv Pro. Het beklag tegen dit beslag heeft de Rechtbank te Amsterdam 26 februari 2008 gegrond verklaard met bevel tot opheffing van het beslag.
Op 26 juli 2011 heeft de Officier van Justitie opnieuw bevel tot inbeslagneming van de panden ten laste van klaagster en [klaagster 4] gegeven, en wel op de voet van het bepaalde in art. 94 lid 2 Sv Pro (voorwerpen welker verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer kan worden bevolen). Daar is het niet bij gebleven.
Op 16 september 2011 heeft de Officier van Justitie op grond van het bepaalde in art. 94a lid 2 Sv bij de rechter-commissaris gevorderd hem een machtiging te verlenen tot conservatoir beslag op genoemde panden. Deze machtiging is hem 26 oktober 2011 verleend. Vervolgens heeft de Officier van Justitie op 28 oktober 2011 bevel gegeven conservatoir beslag te leggen op genoemde panden.
Op genoemde panden liggen dus twee vormen van beslag, beslag op de voet van het bepaalde in art. 94 lid 2 Sv Pro met het oog op de mogelijkheid van verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer, en conservatoir beslag op de voet van het bepaalde in art. 94a lid 2 Sv ter verzekering van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van een misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het onderhavige beklag richt zich tegen beide vormen van beslag.
5. Het
eerste middelklaagt dat de Rechtbank ten onrechte het beslag gelegd op de voet van art. 94 Sv Pro heeft opgeheven op grond van de overweging dat de herhaalde beslaglegging onrechtmatig is, nu er geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden na het eerder gelegde beslag, althans dat de Rechtbank haar oordeel dienaangaande onvoldoende heeft gemotiveerd.
6. De Rechtbank heeft in de beschikking het volgende overwogen:

2. Het standpunt van de Officier van Justitie
Rechtmatigheid herhaalde beslaglegging ex artikel 94 Sv Pro
Hoewel al eerder beslag is gelegd op de panden [a-straat 1 t/m 4] te Alkmaar is de officier van justitie van mening dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die het thans op grond van artikel 94 Sv Pro gelegde beslag rechtvaardigen. De officier van justitie heeft aangevoerd dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in haar uitspraak van 20 juli 2011 heeft overwogen dat de burgemeester aannemelijk mocht achten dat de voornoemde panden zijn gefinancierd met het geld dat door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] uit het plegen van strafbare feiten was verkregen. Daarnaast is door [betrokkene 4] in augustus 2008 verklaard dat zij in 2003 60 kg goud voor een bedrag van € 575.000,- heeft verkocht aan [klaagster 4]. Door of namens [klaagster 4] is deze aankoop van het goud niet naar voren gebracht bij de behandeling in raadkamer in de beklagprocedure bij de rechtbank in Amsterdam in februari 2008. Gelet op het voorgaande heeft [klaagster 4] aan de raadkamer in 2008 een verkeerde voorstelling van zaken gegeven, aldus de officier van justitie.
(…)

3.Het standpunt van klaagster

Rechtmatigheid herhaalde beslaglegging ex artikel 94 Sv Pro
De raadsman van klaagster heeft zich op het standpunt gesteld dat de herhaalde beslaglegging onrechtmatig is omdat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State levert blijkens de uitspraak van de Hoge Raad van 26 april 1983 (NJ 1963, 650) geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid op. Voorts rechtvaardigt het feit dat volgens de officier van justitie [klaagster 4] in de eerdere klaagschriftprocedure een onvolledige opgave van haar inkomsten en uitgaven heeft gedaan, geen herhaalde beslaglegging in de zaak tegen klaagster.
(…)

4.De beoordeling

(…)
Rechtmatigheid herhaalde beslaglegging ex artikel 94 Sv Pro
Het uitgangspunt bij de toepassing van dwangmiddelen is dat een verdachte ter zake van hetzelfde feit niet bij herhaling mag worden onderworpen aan dezelfde dwangmiddelen indien de omstandigheden gelijk blijven.
De rechtbank stelt voorop dat een rechterlijke uitspraak niet als een novum kan worden aangemerkt (zoals de Hoge Raad reeds enige jaren geleden heeft bepaald) zodat op die basis herhaalde beslaglegging niet gerechtvaardigd is. Voor zover de officier van justitie al heeft willen betogen dat de verkoop in 2003 van 60 kg goud door [betrokkene 4] aan [klaagster 4] voor een bedrag van € 575.000,- als novum heeft te gelden in de zaak tegen klaagster, is de rechtbank van oordeel dat deze goudverkoop niets af doet aan de onderbouwing van de stelling van klaagster en [klaagster 4] dat zij de panden in 2007 met legale middelen hebben aangeschaft. De officier van justitie heeft dat in de onderhavige procedure overigens ook niet gemotiveerd weersproken. Ook deze goudverkoop in 2003 kan derhalve de herhaalde beslaglegging op grond van artikel 94 Sv Pro in 2011 niet rechtvaardigen.
Gelet op het voorgaande is de herhaalde beslaglegging op grond van artikel 94 Sv Pro onrechtmatig en zal de rechtbank het beklag in zoverre gegrond verklaren.”
7. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat de Rechtbank ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat bij toepassing van dwangmiddelen een verdachte ter zake van hetzelfde feit niet bij herhaling mag worden onderworpen aan dezelfde dwangmiddelen indien de omstandigheden gelijk blijven. Daartoe wordt erop gewezen dat het verschil in doelstelling van het beslag, in casu het verschil in doelstelling tussen art. 94 en Pro art 94a Sv - een uitzondering vormt op dit uitgangspunt.
8. Het door de Rechtbank gehanteerde uitgangspunt dat bij toepassing van dwangmiddelen een verdachte ter zake van hetzelfde feit niet bij herhaling mag worden onderworpen aan dezelfde dwangmiddelen indien de omstandigheden gelijk blijven geeft op zichzelf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [1]
9. Volgens de toelichting op het middel heeft de Rechtbank verzuimd onder ogen te zien, dat het eerste beslag mogelijk is gelegd op de voet van art. 94 lid 1 Sv Pro, het tweede beslag op de voet van art. 94 lid 2 Sv Pro en de door de Rechtbank gehanteerde - hiervoor weergegeven en niet onjuist bevonden – regel dus gelet op het verschil in de doelstelling van beide beslagen niet aan het leggen van het tweede beslag in de weg zou behoeven te staan, althans nagelaten van onderzoek dienaangaande te laten blijken.
10. De omstandigheid dat de Rechtbank niet heeft laten blijken de in de toelichting op het middel geschetste mogelijkheid onder ogen te hebben gezien betekent nog niet dat de Rechtbank inderdaad aan die mogelijkheid is voorbijgegaan. Voorts heeft de Rechtbank - nog daargelaten dat zowel bij inbeslagneming op de voet van art. 94 lid 1 Sv Pro als bij inbeslagneming op de voet van art . 94 lid 2 Sv de waarheidsvinding centraal staat [2] en de doelstelling van beide vormen van beslag in zoverre overeenkomt - gelet op het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer niet behoeven te laten blijken de in de toelichting op het middel geschetste mogelijkheid onder ogen te hebben gezien. De Officier van Justitie heeft immers over het verschil in grondslag tussen het eerste en het tweede beslag niets aangevoerd hoewel, indien inderdaad van verschil in grondslag sprake zou zijn geweest hij bij uitstek degene is die de Rechtbank daarvan op de hoogte had kunnen stellen en op dat verschil een beroep had kunnen doen om de door hem gewenste handhaving van het beslag te bereiken.
11. Anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd heeft de Rechtbank de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juli 2011 voor zover inhoudende dat de burgemeester aannemelijk mocht achten dat de onderhavige panden zijn gefinancierd met het geld dat door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] uit het plegen van strafbare feiten was verkregen [3] niet behoeven te zien als een nieuwe omstandigheid die opnieuw opleggen van beslag op de voet van art. 94 Sv Pro geoorloofd maakte. Het gaat hier immers niet om een omstandigheid van feitelijke aard maar om een gevolgtrekking die de burgemeester volgens de bestuursrechter uit de feiten mocht trekken. In het kader van de herhaalde toepassing van dwangmiddelen dient te worden beoordeeld of zich nieuwe omstandigheden van feitelijke aard voordoen die niet aan het beslag ten grondslag zijn gelegd en niet de vraag welke gevolgtrekking een burgemeester volgens een bestuursrechter uit de feiten zou mogen trekken.
12. In de toelichting op het middel wordt er voorts op gewezen dat de Officier van Justitie heeft aangevoerd dat bedoelde uitspraak van de bestuursrechter betekende dat de exploitant van de panden zijn vergunning kwijt raakte hetgeen tot gevolg kon hebben dat klaagster en [klaagster 4] de panden op korte termijn zouden kunnen vervreemden. In die zin aldus de toelichting op het middel, levert de uitspraak van de bestuursrechter ook een nieuw feit op dat hernieuwde inbeslagneming mogelijk zou maken. Daar had de Rechtbank, aldus de toelichting op het middel, niet aan voorbij mogen gaan.
13. Kennelijk heeft de Rechtbank in het aangevoerde niet een omstandigheid van zoveel gewicht gezien dat deze een nieuwe omstandigheid opleverde die opnieuw beslagleggen op de voet van art. 94 Sv Pro mogelijk maakte. Dat oordeel geeft gelet op de omstandigheid dat bij beslag op de voet van art. 94 Sv Pro waarheidsvinding centraal staat, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en behoeft gelet op het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer geen motivering. Hetgeen de Officier van Justitie heeft aangevoerd behelst immers niet meer [4] dan dat niet ondenkbaar is dat klaagster en [klaagster 4] de panden op korte termijn zouden vervreemden omdat door de uitspraak van de Raad van State exploitatie van de onderhavige panden als prostitutiepanden niet langer mogelijk was.
14. Het middel faalt.
15. Het
tweede middelricht zich tegen de opheffing van het beslag gelegd op de voet van art. 94a Sv. Het middel houdt in dat de Rechtbank haar oordeel dat uit het dossier onvoldoende aanwijzingen voortvloeien die de verdenking van witwassen kunnen dragen alsmede om aan te nemen dat bij aankoop van de panden sprake is geweest van een schijnconstructie onvoldoende heeft gemotiveerd.
16. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

2. Het standpunt van de officier van justitie(…)
De verdenking van (gewoonte)witwassenDe officier van justitie heeft aangevoerd dat ten aanzien van klaagster inmiddels een gerechtelijk vooronderzoek en een strafrechtelijk financieel onderzoek lopen ter zake van het misdrijf (medeplegen van) (gewoonte)witwassen. Nu zowel de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank als het gerechtshof Amsterdam ten aanzien van klaagster hebben geoordeeld dat sprake is van ernstige bezwaren ter zake van (medeplegen van) (gewoonte)witwassen, is meer dan voldoende duidelijk dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een later oordelende rechter de in beslag genomen goederen verbeurd zal verklaren. Voldoende is immers dat er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld ter zake van de strafbare feiten waarvoor het beslag is gelegd.
Wat de verdenking van witwassen betreft, wordt klaagster verweten dat zij de panden heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze panden zijn gefinancierd met het geld dat door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] met het plegen van strafbare feiten was verkregen. Gezien de betrokkenheid van [klager 2], de partner van klaagster en [klager 1], de partner van [klaagster 4], bij de panden, is de officier van justitie van mening dat niet kan worden gesteld dat klaagster en [klaagster 4] niet op de hoogte waren van de werkelijke eigendomsverhoudingen met betrekking tot de panden.
Voorts is de kern van het verwijt volgens de officier van justitie gelegen in het aangaan van schijnconstructies en het doen van schijnbetalingen om de werkelijke eigendomsverhoudingen met betrekking tot de panden die van misdrijf afkomstig waren te verhullen. De verklaringen en stukken waaruit blijkt wie de juridische eigenaar van de panden is acht de officier van justitie niet relevant, nu het gaat om de verdenking van verhulling van de werkelijke eigendomsverhoudingen vanaf 2003.
De conclusie van de officier van justitie is dat het beslag rechtmatig is gelegd, dat het gezien het strafvorderlijk belang dient te worden gehandhaafd en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat een later oordelende rechter de goederen zal verbeurd verklaren. Evenmin acht de officier van justitie het hoogst onwaarschijnlijk dat een later oordelende rechter een maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Het klaagschrift dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

3.Het standpunt van klaagster(…)

De verdenking van (gewoonte)witwassenKlaagster heeft in 2007 samen met [klaagster 4] de panden gekocht van [A] B.V. De raadsman stelt voorop dat geen bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat [betrokkene 3] de panden of de aandelen van [A] B.V. met crimineel geld heeft verworven. En mocht [betrokkene 3] de panden toch hebben gefinancierd, dan wijst de raadsman op diverse verklaringen waaruit zou blijken dat [betrokkene 3] ook legale inkomsten heeft gehad.
Mocht [betrokkene 3] toch op enigerlei wijze rechthebbende zijn geweest en de panden met crimineel geld hebben gefinancierd, dan is klaagster hier in elk geval niet van op de hoogte geweest. Klaagster heeft de panden gekocht van een rechtspersoon en er zijn geen aanwijzingen in het dossier dat klaagster wist dat [betrokkene 3] als aandeelhouder betrokken was bij deze rechtspersoon, indien dit laatste al het geval mocht blijken te zijn geweest
De officier van justitie heeft de verdenking geuit dat klaagster als 'strovrouw' zou hebben gefungeerd. De raadsman stelt zich op het standpunt dat na vijf jaar onderzoek geen bewijs door het openbaar ministerie is aangedragen dat deze verdenking ondersteunt. Het enkele gegeven dat [klager 2] en Verhoek een rol hebben gespeeld bij de onderhandelingen en de uiteindelijke aankoop van de panden in 2007, kan de verdenking van een schijnconstructie niet dragen.
Gelet op het voorgaande stelt de raadsman van klaagster dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat een strafrechter, later oordelend, een verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen of de panden verbeurd zal verklaren. De conclusie luidt derhalve dat het beslag onrechtmatig is, dat de rechtbank het klaagschrift gegrond dient te verklaren en dat het beslag moet worden opgeheven.

4.De beoordeling(…)

Toetsingscriterium beslaglegging ex artikel 94a SvDe vraag die de rechtbank in deze procedure dient te beantwoorden, is of zich een geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klaagster de verplichting tot betaling van een geldbedrag tot tenminste de hoogte van het conservatoir beslag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.
De verdenking van (gewoonte)witwassenDe rechtbank oordeelt dat op basis van dit dossier geen duidelijkheid verkregen kan worden over de eigendomsgeschiedenis van de panden in de jaren voor 2007. Uit de overwegend op vermoedens gebaseerde stellingen die door de officier van justitie herhaaldelijk naar voren zijn gebracht, kunnen naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de wetenschap van klaagster met betrekking tot de eigendomsverhoudingen voor 2007 geen verregaande conclusies worden getrokken.
Voorts behelst het dossier onvoldoende aanwijzingen om aan te nemen dat bij aankoop van de panden door klaagster en [klaagster 4] sprake is geweest van een schijnconstructie. Indien al mocht blijken dat de panden middellijk van misdrijf afkomstig waren, is vooralsnog niet gebleken dat klaagster dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie de gestelde wetenschap van klaagster baseert op de wetenschap van haar partner [klager 2]. Voor zover deze wetenschap bij [klager 2] al kan worden aangenomen, is deze stelling van de officier van justitie, die erop neerkomt dat de wetenschap van de ene (huwelijks)partner zonder meer mag worden toegeschreven aan de andere, rechtens niet houdbaar.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier dat de rechtbank tot haar beschikking heeft onvoldoende aanwijzingen voortvloeien die de verdenking van (gewoonte)witwassen kunnen dragen. Derhalve acht de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, aan klaagster de verplichting tot betaling van een geldbedrag tot tenminste de hoogte van het conservatoir beslag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. Hoewel het beklag over de beslaglegging op grond van artikel 94a, tweede lid Sv reeds hierom gegrond zal worden verklaard, overweegt de rechtbank ten overvloede nog het volgende.
Wederrechtelijk verkregen voordeelHet dossier behelst geen enkele concrete aanwijzing dat klaagster in de periode van 2003 tot 2007 inkomsten uit de panden heeft genoten. Wel is gebleken dat zij na 2007 huurpenningen heeft ontvangen voor deze panden. Het is de rechtbank echter niet duidelijk waarop de officier van justitie zijn standpunt baseert dat deze huurpenningen als wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden aangemerkt. Deze huurpenningen vloeiden immers voort uit een door de (gemeentelijke) autoriteiten vergunde verhuurverhouding met de exploitant [betrokkene 1], waarvan de officier van justitie in een eerder stadium heeft gemeend dat hij deze reeds bestaande verhuurverhouding diende te respecteren. Dit laatste zou allerminst voor de hand hebben gelegen indien uit deze bestaande verhuurverhouding wederrechtelijk verkregen voordeel zou voortvloeien.
Dat sprake is van voordeel door middel van een waardevermeerdering is evenmin gebleken. Klaagster heeft onderbouwd dat juist sprake is van een waardevermindering van de panden, hetgeen door de officier van justitie niet wordt betwist.
Gelet op het voorgaande bevat het dossier geen aanwijzingen dat klaagster wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit de panden, hetgeen tevens leidt tot een gegrondverklaring van het beklag over de beslaglegging op grond van artikel 94a, tweede lid Sv.”
17. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats geklaagd dat de Rechtbank er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of zich de situatie van art. 94a lid 3 of 4 Sv voordoet.
18. Deze klacht gaat eraan voorbij dat zich blijkens de overwegingen van de Rechtbank niet het geval voordoet dat een derde die stelt eigenaar van het inbeslaggenomene te zijn een klaagschrift heeft ingediend maar dat het klaagschrift is ingediend door de verdachte onder wie de panden in beslag zijn genomen. Vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.14 en 2.15.
19. Voorts behelst de toelichting op het middel de klacht dat de Rechtbank, oordelende dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klaagster de verplichting tot betaling van een geldbedrag tot ten minste de hoogte van het conservatoir beslag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen, onvoldoende met redenen heeft omkleed. Volgens de toelichting op het middel had de Rechtbank moeten motiveren waarom zij is afgeweken van het oordeel van de rechter-commissaris vervat in de beschikking tot het instellen van een gerechtelijk vooronderzoek van 20 juli 2010 en gegeven bij het afgeven van de machtiging conservatoir beslag op 26 oktober 2011 dat de resultaten van het opsporingsonderzoek voldoende verdenking opleveren jegens klaagster en dat het vermoeden bestaat dat klaagster als gevolg van het strafbare feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
20. Reeds gelet op het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer behoefde de Rechtbank haar oordeel niet te motiveren in de door het middel gewenste zin, zeker niet nu niet is gesteld dat aan het oordeel van de rechter-commissaris dezelfde feiten ten grondslag lagen als voorlagen bij de beoordeling van het klaagschrift.
21. Anders dan de toelichting op het middel wil geldt hetzelfde voor de afwijking van het oordeel van de Rechtbank van 8 februari 2011 in de beklagzaak van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].
22. Het middel faalt.
23. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
24. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers, Kluwer 2011, zevende druk, p. 367.
2.HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010, 654, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.7.
3.ABRvS 20 juli 2011, LJN BR2279.
4.Requisitoir p. 7.