Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
ring fencegenoemd: voor de heffing van het winstaandeel is het winningsbedrijf een separate onderneming/belastingplichtige. In zoverre is de belanghebbende vergelijkbaar met een inkomstenbelastingplichtige ondernemer/natuurlijke persoon die privé-vermogen van ondernemingsvermogen moet scheiden en/of meer ondernemingen drijft, alsmede met een nijvere stichting of vereniging die het aan vennootschapsbelasting onderworpen gedeelte van haar activiteiten moet afscheiden van haar niet-ondernemingsactiviteiten (zie art. 2(1)(e) Wet Vpb 1969). Bij Derde Nota van Wijziging op de Mijnbouwwet is de heffingsgrondslag binnen de
ring fencebeperkt tot de resultaten van het winningsbedrijf minus “derdengebruik” (
third-party income). In de wetsgeschiedenis wordt dit derdengebruik, ter zake waarvan dus geen winstaandeel wordt geheven, aangeduid als “met het winnen van koolwaterstoffen samenhangende activiteiten” (zie onderdeel 5.8). Als voorbeeld wordt genoemd de ontvangen vergoeding voor het gebruik door derden van platforms of pijpleidingen van de winstaandeelplichtige vergunninghouder.
ring fencebetalingen insluit die de belanghebbende als mede-eigenaresse van de platforms [M], [N] en [CC] heeft ontvangen van zichzelf, nu de belanghebbende voor het gebruik daarvan mede aan zichzelf betaalt in haar hoedanigheid van participant in de Units
[B/C], [G]en
[H]. Vallen die betalingen door de belanghebbende als participant/vergunninghouder aan zichzelf als eigenaresse van de faciliteiten in of buiten de grondslag voor de heffing van het winstaandeel?
Unit-deelnemers ontvangen gebruiksvergoedingen, niet als derdengebruik kan worden aangemerkt de door de belanghebbende uit hoofde van de
Unitverschuldigde gebruiksvergoeding die ziet op het blok waar het platform in staat (zie onderdeel 2.7 en 2.8: de belanghebbende is € 2.915.664 verschuldigd als participant in Unit blok [B/C]; en onderdeel 2.13: de belanghebbende is € 73.450 verschuldigd als participant in de
Unit[G] voor blok [E]).
aan derdenverhuren en vergunninghouders die verhuur van installaties
aan derdenin een aparte rechtspersoon hebben ondergebracht. Het citaat gaat dus niet over eigen gebruik.
aande betalingen van elk van de vergunningshouders/gebruikers fiscaal-juridisch zouden kunnen worden toegerekend en van waar
uitvervolgens vergoedingen zouden worden ontvangen door dezelfde vergunninghouders/thans als mede-eigenaren.
Unit[F] en dat de groep (mede)vergunninghouders die gebruiksvergoedingen verschuldigd is aan de eigenaren van platform [CC] een andere samenstelling heeft dan de groep (mede)eigenaren van dat platform. Dit middel lijkt, als men door de niet-verhelderende eindeloze berekeningen probeert heen te kijken, in wezen op hetzelfde neer te komen als middel (ii), zij het niet meer vanuit het perspectief van de (mede)eigenaar/ontvanger, maar vanuit het perspectief van de (mede)vergunninghouder/gebruiker. Wellicht wil de belanghebbende betogen dat platform [CC] niet tot haar winningsbedrijfsvermogen in blok [E] behoort zodat daarvoor ontvangen gebruiksvergoedingen geheel buiten de
ring fencevan dat winningsbedrijf vallen. Dan rijst echter de vraag waarom zij überhaupt zou betalen als ‘gebruiker’ van het platform in dat winningsbedrijf, maar belangrijker is dat dit een feitelijke vraag betreft, waarop in cassatie niet ingegaan kan worden, zeker niet voor het eerst. Onduidelijk is in elk geval welk concreet feitelijk oordeel van het Hof zij dan met welke concrete motiveringsklacht bestrijdt. Ik acht overigens ’s Hofs oordeel over de toerekening van betalingen en ontvangsten ter zake van platform [CC] aan belanghebbendes winningsvergunningbedrijf in blok [E] niet onbegrijpelijk.
2.De feiten
Unitisation Agreementsof UA’s), die de verdeling van de met de winning behaalde opbrengsten en van de daarvoor gemaakte kosten tussen de deelnemende vergunninghouders regelen. Ik begrijp dat een
Uniteen contractueel samenwerkingsverband is ter zake van één gasveld dat blokgrenzen overschrijdt.
Units[F],
[H]en
[G].
- blok [A] 50%
- blok [B/C] 26,0567%
- blok [D] 25%
Unit[F]: de [A]-groep, de [B/C]-groep (belanghebbendes eigen groep mede-eigenaren) en de [D]-groep. De te betalen vergoedingen worden over die drie groepen omgeslagen naar rato van hun (vergunnings)aandeel in de Unit [F]. Die (vergunnings)aandelen zijn de volgende [1] :
allebij de [F] UA betrokken partijen. De kosten van dit platform worden naar evenredigheid van hun mede-eigendomsaandelen verdeeld over de
unit-participanten. Ik begrijp dat ter zake van dit platform geen gebruiksvergoedingen berekend, betaald of ontvangen, maar duidelijkheid daarover heb ik – zoals over meer – in het dossier niet kunnen vinden.
[H]strekt zich uit over de blokken [AA], [BB] en [E]. De belanghebbende is alleen mede-vergunninghouder in blok [E]; haar aandeel in dat blok bedraagt 65,68288%. Het aandeel van blok [E] in de
unit [H], waarvoor op 15 februari 1990 een UA is gesloten, is 7,13%. Daarmee bedraagt belanghebbende belang in de
unit [H]4,6832% (65,68288% van 7,13%).
[H], kennelijk in dezelfde verhouding als die van hun vergunningsrechten. Op grond van haar belang in deze
unitis de belanghebbende gerechtigd tot 4,6832% (zie onderdeel 2.10 hierboven) van de vergoedingen die door de platformgebruikers aan de mede-eigenaren betaald worden.
[G]ligt in de blokken [BB] en [E] (dus in twee van de drie blokken waarover ook
[H]zich uitstrekt; kennelijk – gezien hun namen – ligt
[G]boven
[H]). In blok [E] is de belanghebbende medevergunninghouder voor 55,66%. Zij en haar medevergunninghouders in blok [E] nemen voor 0,85% deel in deze
unit(die dezelfde naam draagt als het gasveld), die is ingesteld bij UA van 1 oktober 2001. Belanghebbendes aandeel in de
unit [G]beloopt dus 0,4731% (55,66% x 0,85%).
unit [G]maken gebruik van platform [CC] dat in blok [BB] staat en eigendom is van de
[H]participanten (zie 2.11 hierboven). De
[G]participanten hebben in 2006 € 15.524.975 voor dat gebruik betaald aan de
[H]participanten. Daarvan kwam € 73.450 (0,4731%; zie 2.12 hierboven) voor rekening van de belanghebbende.
[G] unitbetaalde platformgebruiksvergoeding aan de belanghebbende toe, nl. € 727.064 (4,6832% x € 15.524.975; zie 2.11 hierboven).
3.Het geschil in feitelijke instanties
Aanslag en navorderingsaanslag
ontvangengebruiksvergoedingen ad respectievelijk € 5.750.817 en € 727.064 voor het gebruik van de platforms [M] en [N] (zie 2.6) en [CC] (zie 2.11) heeft zij aangemerkt als
third party incomeen buiten de
ring fencegeplaatst en dus niet in aanmerking genomen bij haar resultaatsbepaling voor de heffing van winstaandeel. Ook de aan deze ontvangsten toerekenbare kosten, die volgens afspraak met de Inspecteur een derde van de ontvangen derdenvergoeding bedragen, heeft zij buiten het winstaandeelresultaat gehouden.
betalingenvoor het gebruik dat de [B/C]-groep en de
[G]groep hebben gemaakt van de platforms [M] en [N] (€ 2.915.664) respectievelijk van platform [CC] (€ 73.450) (zie 2.8 en 2.13 hierboven) heeft de belanghebbende ten laste van haar winstaandeelresultaat gebracht.
- i) betalingen/ontvangsten aan of van vergunninghouders waarmee de belanghebbende
- ii) betalingen/ontvangsten aan of van mede-vergunninghouders binnen hetzelfde blok (dus wel binnen dezelfde vergunning, maar niet binnen hetzelfde winningsbedrijf, want elke medevergunninghouder binnen dezelfde vergunning heeft zijn eigen winningsbedrijf); en
- iii) van en aan zichzelf. Die laatste groep (iii) is nog onder te verdelen in twee soorten betalingen/ontvangsten aan/van zichzelf:
A(bijvoorbeeld
[B/C]), tot wiens vergunningsvermogen de mede-eigendom van een platform behoort, van een betaling van (mede) zichzelf als medevergunninghouder
B(bijvoorbeeld [A]) die dat platform medegebruikt, en
A(bijvoorbeeld [E]), tot wiens vergunningsvermogen de mede-eigendom van een platform behoort, van een betaling van (mede) zichzelf als medevergunninghouder
A(dezelfde [E]-vergunning) die dat platform medegebruikt.
betalingenvoor het platformgebruik kan benaderen (vanuit de kostenaftrek-kant), maar ook van de kant van de
ontvangstenvoor het platformgebruik (de al dan niet uit het winstaandeelresultaat te elimineren
opbrengsten), nu deze aan elkaar gelijk zijn: men kan het geschil omschrijven als (i) zijn de gebruiksvergoedingen die de belanghebbende aan zichzelf betaald heeft, aftrekbaar van het winstaandeelresultaat (het Hof benadert het geschil aldus), maar ook als (ii) zijn de gebruiksvergoedingen die de belanghebbende van zichzelf ontvangen heeft, vrijgesteld (na aftrek van toerekenbare kosten) van winstaandeelheffing (de belanghebbende legt bij schriftelijke toelichting uit dat het geschil aldus moet worden gezien)? Nog anders omschreven: vallen de door de belanghebbende voor haar eigen platformgebruik van zichzelf ontvangen vergoedingen in het winstaandeelregime (tarief 50%) of in de vennootschapsbelasting (tarief 25%)?
ten laste vande grondslag voor het winstaandeel komen en (b) aan de ontvangstkant
buitende grondslag voor het winstaandeel blijven.
i.e.vergunningsoverschrijdende betalingen/ontvangsten):
4.Het geding in cassatie
ring fencegelijke behandeling nastreefde van de situatie waarin de vergunninghouder zelf eigenaar is van een installatie en de situatie waarin de installatie is ondergebracht in een afzonderlijke vennootschap of eigendom van een derde is, in welke situatie een gebruiksvergoeding niet onderworpen is aan winstaandeel.
ring fencetot afbakening van het winningsbedrijf van andere activiteiten, op gelijke wijze als die waarop de activiteiten van verschillende rechtspersonen van elkaar afgebakend zijn, maar dat gaat niet zover dat situaties waarin boekhoudkundige boekingen binnen één rechtspersoon plaatsvinden, op dezelfde manier behandeld zouden moeten worden als situaties waarin daadwerkelijke betaling plaatsvindt tussen verschillende rechtspersonen. Die situaties zijn niet vergelijkbaar.
5.Opbrengst van het winningsbedrijf; artt. 65 – 70 Mijnbouwwet
Wettekst
onderneming» gelezen:
winningsbedrijf. (…)”
met de winningbehaalde winst; dat is de winst binnen de zogenoemde
ring fence: [13]
“met de winning samenhangende” activiteiten in de heffing van winstaandeel blijven betrekken: [14]
ring fenceinhoudt in vergelijking met de vennootschapsbelasting (winst uit activiteiten die geen verband houden met het winningsbedrijf vallen buiten de heffing van winstaandeel) koos de regering ervoor om de heffing van winstaandeel niet onder te brengen in de Wet op de Vennootschapsbelasting 1969, maar in de Mijnbouwwet: [15]
ring fenceniet door te voeren, maar “derdengebruik” (
third-party income) toch buiten de
ring fencete plaatsen, in overeenstemming met een kennelijk gegroeide praktijk: [18]
ring fence. Schuver [21] schrijft er het volgende over (2001: over de
oudewetgeving dus):
Baggerarrest [23] , over uitvoering van werk door een aannemerscombinatie in een niet-verdragsland (Nigeria), met name over de vraag of de belastingplichtige, die een zuiger verhuurde aan de
partnershipwaarin zij in Nigeria deelnam, voor die huuropbrengst voorkoming van dubbele belasting kon krijgen. Uw antwoord luidde ontkennend omdat de zuiger niet was ingebracht in de
partnershipen de
partnershipals huurster zodanig zelfstandig was ten opzichte van de belanghebbende als verhuurster dat de belanghebbende (in Nederland) huuropbrengst genoot (niet toerekenbaar aan enige Nigeriaanse v.i.):
6.Behandeling van de middelen
van het winningsbedrijf. Voor de bepaling van die kosten en opbrengsten (winst- en verliesrekening) is art. 3.8 Wet IB 2001 (totaalwinstbeginsel) van toepassing verklaard, waarmee duidelijk is dat alle kosten en opbrengsten van het winningsbedrijf in de resultaatsbepaling moeten worden betrokken voor zover de Mijnbouwwet daarop geen inbreuk maakt.
ring fencein eerste instantie geplaatst rond het winningsbedrijf inclusief daarmee samenhangende activiteiten. Bij Derde Nota van Wijziging is de
ring fenceverkleind tot het winningsbedrijf exclusief dit “derdengebruik” (
third-party income), dat door de medewetgever werd aangeduid als “met het winnen van koolwaterstoffen samenhangende activiteiten” (zie 5.8 hierboven) en waarvan hij als voorbeeld noemde inkomsten uit gebruik door derden van het platform of de pijpleidingen van de vergunninghouder.
ring fenceloopt. Met name is in geschil of en zo ja, in hoeverre bedragen die de belanghebbende als participant in de
Units[B/C], [G] en [H] heeft betaald aan zichzelf als (mede)eigenaar van de platforms [M], [N] en [CC], binnen of buiten de
fencevallen.
fenceblijft het gebruiksvergoedingaandeel dat de belanghebbende als medeplatformeigenaar/vergunninghouder A
ontvangtvan
Unit-deelnemers, dan eveneens buiten de
fenceblijft het door de belanghebbende als medegebruiker/vergunninghouder A
verschuldigdeaandeel in diezelfde gebruiksvergoeding.
Unitgeen sprake is en dat ook overigens alle vergunninghouders (fiscaal-)juridisch in beginsel ieder voor zichzelf opereren. Op basis van het boven geciteerde
Bagger-arrest kan dan de belanghebbende als eigenaar geen huur mede aan zichzelf berekenen als participant in een fiscale entiteit/onderneming, die er immers onweersproken niet is: het gaat bij een UA volgens belanghebbendes onweersproken stellingen slechts om verdeling – naar vergunningsaandeel – van opbrengsten en kosten tussen vergunninghouders die – overigens ieder voor zichzelf – in eenzelfde gasveld opereren.
ring fenceonder meer ongelijke behandeling wilde uitsluiten van vergunninghouders die zelf (mede)eigenaar zijn van een installatie en vergunninghouders die gebruiksvergoeding betalen aan een afzonderlijke vennootschap of aan een derde die niet is onderworpen aan winstaandeel. Dit middelonderdeel is mijns inziens gebaseerd op verkeerde lezing van de wetsgeschiedenis. Uit het citaat in onderdeel 5.8 blijkt dat de medewetgever rechtsongelijkheid wilde voorkomen “ten opzichte van ondernemingen die dit derdengebruik hebben ondergebracht in afzonderlijke, niet-winstaandeelplichtige ondernemingen”. Beoogd werd dus rechtsgelijkheid tussen vergunninghouders die vanuit hun winningsbedrijf installaties
aan derdenverhuren en vergunninghouders die verhuur van installaties
aan derdenin een aparte rechtspersoon hebben ondergebracht. Het citaat gaat dus niet over eigen gebruik. Dat de medewetgever ook eigen gebruik buiten de
fencezou hebben willen plaatsen, is te minder aannemelijk, nu het aangaan van UA’s door vergunninghouders die tevens platformeigenaren zijn, zou volstaan om de grondslag van heffing van het winstaandeel bij beide partijen uit te hollen. Het citaat in 5.8 heeft mijns inziens niet de strekking om de mogelijkheid te bieden het winningsresultaat behaald met eigen platforms te eroderen door huur aan zichzelf in rekening te brengen waardoor de ‘winstmarge’ op die ‘verhuur’ aan zichzelf
over the fencezou vallen. Dat ook het onderbrengen van platforms in een afzonderlijke vennootschap verkleining van de grondslag van heffing van winstaandeel tot gevolg kan hebben, doet daar niet aan af, want die andere rechtspersoon is een andere persoon en van eigen gebruik is dan geen sprake meer.
aande betalingen van elk van de vergunningshouders/gebruikers fiscaal-juridisch zouden kunnen worden toegerekend en van waar
uitvervolgens vergoedingen zouden worden ontvangen door dezelfde vergunninghouders/thans als mede-eigenaren. Ik acht het middel daarom ongegrond.
Unit[H] en
Unit[F]. Zij benadrukt dat platform [CC] een andere eigendomsverhouding kent dan de platformen in Unit [F] en dat de groep (mede)vergunninghouders die betalingen verschuldigd is aan de eigenaren van platform [CC] een andere samenstelling heeft dan de groep (mede)eigenaren van dat platform. De door haar vervolgens opgevoerde berekening komt – als ik het goed begrijp – in wezen overeen met het door haar in middel (ii) ingenomen standpunt, namelijk dat van het ontvangen bedrag slechts binnen de
ring fencevalt het percentage (in procenten!) dat zij als vergunninghouder in blok [E] heeft. Het onderscheid tussen middel (ii) en middel (iii) is kennelijk dat middel (ii) de verdelingskwestie benadert vanuit de positie van de (mede)eigenaar/ontvanger en middel (iii) vanuit positie van de (mede)vergunninghouder/gebruiker.
ring fencevan haar winningsbedrijf valt. In de eerste plaats rijst dan de vraag waarom zij überhaupt zou betalen als ‘gebruiker’ (zodra een in mede-eigendom gehouden activum door de mede-eigenaar gebruikt wordt in zijn winningsbedrijfsuitoefening, is het daarmee immers bedrijfsmiddel in dat winningsbedrijfsvermogen geworden). In de tweede plaats gaat het dan om een feitelijke vraag, waarop in cassatie niet ingegaan kan worden. Overigens kan ik een dergelijke klacht niet ontwaren in de middelen noch in de daarop gegeven toelichtingen. Onduidelijk is in elk geval welk concreet feitelijk oordeel van het Hof zij dan met welke concrete motiveringsklacht bestrijdt. Ik acht overigens ’s Hofs oordeel over de toerekening van betalingen en ontvangsten ter zake van platform [CC] aan belanghebbendes winningsvergunningbedrijf in blok [E] niet onbegrijpelijk. Dat geldt eerder voor belanghebbendes middel (iii) en haar daarop gegeven toelichting.