Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
22 november 2013inzake:
1.Overzicht
mismatchtussen kosten en opbrengsten over twee jaren opgelost hebben.
2.De feiten
3.Het geding in feitelijke instanties
4.Het geding in cassatie
eerste middelstelt dat het Hof art. 3.22 Wet IB 2001 heeft geschonden door ten onrechte de winstopslag ad € 53.616 buiten het tonnageregime te plaatsen. De belanghebbende acht de feiten in HR BNB 2012/225 niet vergelijkbaar met die in haar zaak omdat de activiteiten van de belanghebbende in HR BNB 2012/225 van financiële aard waren, terwijl het in haar geval gaat om werkzaamheden van technisch/nautische aard die direct samenhangen met de exploitatie van het schip. De Staatssecretaris meent dat de oprichting van de CV, de eerste uitrusting van het schip en de plaatsing van participaties niet opgevat kunnen worden als exploitatie van een schip of activiteiten die direct samenhangen met de exploitatie van een schip.
tweede middelstelt dat het Hof (i) art. 3.22 Wet IB 2001 heeft geschonden door ten onrechte het transactievoordeel at € 353.948 buiten het tonnageregime te plaatsen, en (ii) in strijd met goed koopmansgebruik heeft geoordeeld door ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd het standpunt van de Inspecteur te volgen dat de belanghebbende als “handelaar” aangemerkt moet worden. In de toelichting op het middel lijkt de belanghebbende te betogen dat zij fiscaal geen winst hoeft te nemen voor het percentage waarin zij gerechtigd is in de CV (23,66%); met name lijkt zij te betogen dat HR BNB 1960/34, dat verplichte fiscale herwaardering inhoudt in geval van commerciële waardering op werkelijke waarde bij inbreng in een CV (zie 5.2), niet (meer) strookt met goed koopmansgebruik. De Staatssecretaris antwoordt, onder verwijzing naar HR BNB 2007/192 [10] (zie 5.6), dat de inbreng van een schip een handelstransactie is die niet onder het tonnageregime valt en dat HR BNB 1960/34 nog steeds geldend recht is, zodat de belanghebbende verplicht is ook fiscaalrechtelijk te herwaarderen op werkelijke waarde.
derde middelstelt schending van het vertrouwensbeginsel en vormverzuim, met name schending van het motiveringsvereiste ex 8:77 Awb. De belanghebbende meent dat de Inspecteur door (i) de afgifte van de beschikking dat het tonnageregime van toepassing is, en (ii) het in 2000 niet in aftrek toelaten van kosten onder het reguliere winstregime, het in rechte te honoreren vertrouwen heeft gewekt dat de litigieuze baten in 2001 onder het tonnageregime vallen. De Staatssecretaris meent dat geen rechtens relevant vertrouwen is gewekt, nu per bate moet worden getoetst of zij voortvloeit uit de exploitatie van een zeeschip; het enkele afgeven van een beschikking dat het tonnageregime van toepassing is op de exploitatie, wekt niet het vertrouwen dat op alle baten uit alle activiteiten zonder meer het tonnageregime van toepassing is.
5.Reikwijdte van het tonnageregime
(…)
6.Fiscale herwaarderingswinst
nietals gerealiseerd (overgedragen aan de andere vennoten) kan worden beschouwd omdat het ‘achterblijft’ bij de inbrenger (in casu € 83.744 (23,66% van € 353.948)). De belanghebbende acht die verplichte fiscale herwaardering van het niet-overgedragen aandeel in het schip niet (meer) in overeenstemming met goed koopmansgebruik.