Conclusie
eerste middelklaagt dat het Hof het vonnis van de Politierechter heeft bevestigd en aangevuld terwijl de overwegingen van de Politierechter blijk geven van een schending dan wel verkeerde toepassing van het recht, in het bijzonder de terugkeerrichtlijn [1] , art. 67 Vreemdelingenwet Pro 2000 en art. 197 Wetboek Pro van Strafrecht. De steller van het middel heeft het middel uiteen doen vallen in drie onderdelen/klachten.
Onderdeel Abevat de klacht dat ten onrechte is geoordeeld dat onderdanen van derde landen die naast het strafbare feit van illegaal verblijf een of meer andere strafbare feiten hebben gepleegd, krachtens art. 2, lid 2 sub b, van de terugkeerrichtlijn in beginsel buiten de werkingssfeer van de terugkeerrichtlijn vallen.
Onderdeel Bbevat de klacht dat ten onrechte is geoordeeld dat de ongewenstverklaring niet aan een termijn behoeft te zijn gebonden dan wel, indien daaraan een termijn is verbonden, deze niet in overeenstemming behoeft te zijn met de termijn genoemd in art. 11 van Pro de terugkeerrichtlijn betreffende het inreisverbod.
Onderdeel Cbevat de klacht dat ten onrechte is overwogen dat de verdachte de in de terugkeerrichtlijn genoemde procedure heeft doorlopen en dat mede daarmee is voldaan aan de door het Hof van Justitie in r.o. 48 van het Achughbabian-arrest gestelde voorwaarden voor de rechtmatige oplegging van een gevangenisstraf.
tweede middelklaagt over de wijze waarop de verweren inzake de terugkeerrichtlijn in het bevestigde vonnis van de Politierechter zijn verworpen. Blijkens de toelichting hadden de verweren niet besproken dienen te worden in het kader van de bewezenverklaring, maar in het kader van de ontvankelijkheid of strafbaarheid.
derde middelklaagt over de motivering van de bewezenverklaring. De klacht spitst zich blijkens de toelichting toe op het ontbreken van een bewijsmiddel in de aanvulling waaruit blijkt dat de terugkeerprocedure is gevolgd en volledig is doorlopen.