Conclusie
middelklaagt dat het Hof bij de verwerping van het verweer dat de veroordeelde geen wederechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen de ‘bewijslast’ onjuist heeft verdeeld en dit verweer ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
Bewezenverklaarde feiten (art. 36e lid 1 en 2 Sr)
‘zij de rol van verdachte binnen de organisatie van een geringer gewicht acht dan die van enkele andere deelnemers aan de organisatie’.
'binnen de organisatie een rol van geringer gewicht speelde dan de andere deelnemers'. Cliënt wijst in dat verband op HR 7 december 2004, JOW 2005, 16. In dat arrest heeft de HR geoordeeld dat de rechter, indien hij niet het voordeel van elk van de daders aanstonds kan vaststellen, op basis van alle hem bekende omstandigheden van het geval, zoals de rol die de onderscheiden daders hebben gespeeld en het aantreffen van het voordeel bij een of meer van hen moeten bepalen welk deel van het totale voordeel aan elk van hen moet worden toegerekend. Indien de omstandigheden van het geval onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een andere toerekening, kan dit ertoe leiden dat het voordeel pondspondsgewijs wordt toegerekend, aldus de HR.
Conclusie:Resumé, indien men deze bedragen en vermogensrechten vergelijkt met de schamele banksaldi en afwezigheid van vermogensobjecten aan de zijde van cliënt, dan kan men geen andere conclusie trekken dat cliënt Robert Podt op geen enkele wijze inkomsten heeft gegenereerd.”
“1. Procesgang
1. deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
2. medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, eerste lid onder B. van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Dit vonnis is onherroepelijk.
a. een (gedeeltelijk) pondspondsgewijze verdeelsleutel geen recht zou doen aan de feitelijke gang van zaken, nu de rechtbank in haar vonnis van 21 maart 2005 heeft overwogen dat de veroordeelde 'binnen de organisatie een rol van geringer gewicht speelde dan andere deelnemers', hetgeen voldoende aanknopingspunten zou bieden voor een andere toerekening;
b. bij veroordeelde geen begin van aanwijzing is dat hij daadwerkelijk loon heeft gekregen voor zijn timmerwerkzaamheden of dat hij op andere wijze meer inkomsten zou hebben genoten dan zijn WAO-uitkering.
€ 68.186,13) - afgerond - € 68.186,00, heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten ter zake waarvan hij bij vonnis van 21 maart 2005 is veroordeeld. Het (subsidiaire) verweer van de veroordeelde [betrokkene] inhoudende dat het te ontnemen bedrag naar beneden dient te worden bijgesteld omdat de veroordeelde [betrokkene] gemotiveerd de in het ontnemingsrapport gehanteerde opbrengsten en kosten heeft weersproken vindt zijn weerlegging in de algemene inleiding opgenomen onder 3.3. en 3.4 van dit arrest.