Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft verdachte veroordeeld voor meerdere feiten van mishandeling tegen zijn levensgezel en kinderen, met een werkstraf van tachtig uur subsidiair veertig dagen hechtenis. De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen het arrest, met onder meer het middel dat de redelijke termijn was overschreden en dat het hof het beroep op noodweer(exces) ten onrechte had verworpen.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, maar oordeelde dat dit geen reden gaf om het cassatieberoep gegrond te verklaren gezien de opgelegde straf en de mate van overschrijding. Het hof had het noodweerverweer afgewezen omdat niet aannemelijk was dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, mede gelet op verklaringen van verdachte en aangeefster.
Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat het hof had verzuimd om een met redenen omklede beslissing te nemen op de vorderingen van de benadeelde partijen, terwijl dit volgens de wet verplicht was. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor zover het geen beslissing bevatte over deze vorderingen en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en beslissing op die punten.