Conclusie
“overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”en 2.
“overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte de bevoegdheid ontzegd motorrijtuigen te besturen voor de duur van in totaal twaalf maanden. Voorts heeft het hof de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de verdachte in de zaak met parketnummer 99-000052-16 gedeeltelijk toegewezen en gelast dat een gedeelte van 60 dagen van de vrijheidsstraf dat nog niet ten uitvoer is gelegd alsnog moet worden ondergaan.
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van het “besturen onder invloed” als bedoeld in art. 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, althans dat dit oordeel onvoldoende met redenen is omkleed.
nadatde aanrijding had plaatsgevonden.
nadathet ongeval had plaatsgevonden – niet aannemelijk geacht, onder meer nu die lezing geen steun vindt in de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en evenmin in de verklaring van de inzittende bij de politie. Voor zover het hof daarbij nog heeft gewezen op de verklaring van de verdachte en de inzittende – kort voor hun aanhouding – dat zij (bij de A28) waren afgezet en (daar) een joint hadden gerookt, heeft het hof dit kennelijk en niet onbegrijpelijk gedaan om te benadrukken dat het hof die verklaring als (deels) leugenachtig heeft aangemerkt. Dat acht ik niet onbegrijpelijk, nu zowel de verdachte (dossierpagina 23) als de inzittende (dossierpagina 13) in hun verklaring bij de politie op die eerdere verklaring zijn teruggekomen. Van innerlijke tegenstrijdigheid, zoals door de steller van het middel is aangevoerd, is dan ook geen sprake.
nahet ongeluk een joint heeft gerookt, miskent het dat het hof heeft overwogen dat het geen steun vindt in de verklaring van de verdachte bij de politierechter. Dat die verklaring in theorie de mogelijkheid openlaat dat de verdachte na het ongeluk een joint heeft gerookt doet daaraan niet af.
tweede middelklaagt over ’s hofs verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in zijn vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i. zaaknummer 99-000052-16)