Conclusie
“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel, meermalen gepleegd” [1] veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof de teruggave aan de verdachte gelast van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven bankbiljetten.
eerste middelen het
tweede middelkeren zich tegen het oordeel van het hof dat reeds sprake was van uitvoer van de aangetroffen verdovende middelen.
“Bewijs
“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
derde middelkeert zich tegen de bewezenverklaarde hoeveelheid verdovende middelen.
“Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Door en namens verdachte is - kort samengevat - bepleit dat niet vast staat dat de in onderhavige zaak in beslag genomen stoffen daadwerkelijk hasjiesj en/of hennep waren, dat het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en/of hasjiesh niet kan worden bewezen en dat bij verdachte de kennis heeft ontbroken over de hoeveelheid van de verdovende middelen in kwestie, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. (…)
vierde middelklaagt dat het hof in zijn promis-overwegingen de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet juist heeft weergegeven.