De zaak betreft een minderjarige verdachte die door het Gerechtshof te ’s-Gravenhage is veroordeeld wegens poging tot diefstal door meerdere personen en diefstal. De verdachte werd veroordeeld tot een werkstraf met een voorwaardelijke jeugddetentie en een schadevergoedingsmaatregel.
De verdediging stelde cassatieberoep in met twee middelen. Het eerste middel betrof de vraag of de verdachte ondubbelzinnig afstand had gedaan van zijn recht op consultatie en bijstand van een advocaat tijdens het politieverhoor. Het Hof had geoordeeld dat de verdachte direct na aanhouding was gewezen op zijn rechten en schriftelijk was geïnformeerd, waarna hij verklaarde geen gebruik te willen maken van rechtsbijstand, omdat hij de waarheid sprak. Het Hof achtte deze afstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig gegeven, mede gelet op de leeftijd van de verdachte en het ontbreken van aanwijzingen voor een geestelijke stoornis.
Het tweede middel betrof de vraag of de verklaring van een medeverdachte gebruikt mocht worden als bewijs in de zaak van de verdachte. Het Hof oordeelde dat de verklaring van de medeverdachte betrouwbaar was en dat deze als bewijs mocht dienen, ook al was deze verklaring afgelegd tegenover de politie. De Hoge Raad bevestigde dat het Hof voldoende gemotiveerd had waarom de verklaring bruikbaar was en verwierp het middel.
De Hoge Raad concludeerde dat de rechten van de verdachte niet waren geschonden, dat er geen sprake was van vormverzuim, en dat het bewijsrechtelijk oordeel van het Hof over de medeverdachteverklaring toereikend was. Het cassatieberoep werd verworpen.