Conclusie
eerste middelbevat de klacht dat het hof ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de advocaat-generaal, te weten dat de verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn consultatierecht.
LJNBH3079,
NJ2009/349, het volgende overwogen:
LJNBY5317 betoogde mijn (voormalige) ambtgenoot Silvis dat in de rechtspraak van het EHRM eisen worden gesteld aan een afstand van een recht (‘
waiver’), te weten dat hij vrijwillig (expliciet dan wel stilzwijgend) en ‘
knowing and intelligent’ moet zijn. De verdachte moet naar het oordeel van het EHRM in staat zijn de consequentie van zijn proceshouding te overzien. [2]
tweede middelklaagt dat het hof ten onrechte dan wel ontoereikend gemotiveerd tot bewijsuitsluiting is overgaan omdat de bewijsmiddelen tot stand zijn gekomen door en/of naar aanleiding van de confrontatie van de verdachte met de inhoud van geheimhoudersgesprekken die niet tot het bewijs mochten worden gebezigd.
LJNBY5322 de volgende nadere overwegingen gewijd:
Of een zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte met het oog op het voorkomen van soortgelijke inbreuken tot toepassing van bewijsuitsluiting noopt, zal de rechter moeten beoordelen aan de hand van de hiervoor onder 2.4.1 genoemde wettelijke beoordelingsfactoren en met inachtneming van de omstandigheden van het geval. Daarbij zal de rechter ook kunnen betrekken of in de gegeven omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting opweegt tegen de daarvan te verwachten negatieve effecten en of aldus niet op onaanvaardbare wijze afbreuk wordt gedaan aan zwaarwegende belangen als de waarheidsvinding en de bestraffing van de dader van een - mogelijk zeer ernstig - strafbaar feit, alsmede in voorkomend geval aan de rechten van slachtoffers of hun nabestaanden, mede gelet op uit het EVRM voortvloeiende positieve verplichtingen tot effectieve bestraffing.”
alhet bewijsmateriaal dat als rechtstreeks resultaat van de confrontatie met de geheimhoudersgesprekken is aan te merken, in aanzienlijke mate afbreuk doet aan het fundamentele belang dat met de bescherming van het professionele verschoningsrecht is gediend. Onder verwijzing naar het in art. 6 EVRM Pro gegarandeerde recht overweegt het hof dat de mogelijkheid voor de verdachte tot vertrouwelijke consultatie van zijn raadsman ernstig is beperkt. Het oordeel van het hof dat in het voorliggende geval bewijsuitsluiting dient te volgen geeft mede gelet op de hiervoor onder 14 weergegeven overweging van de Hoge Raad niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.
derde middelklaagt dat het hof ten onrechte dan wel ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat het binnentreden in de woning van de verdachte als onrechtmatig moet worden aangemerkt.