Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
3.Geding in cassatie
Overbrenging landbouwgrond naar bosbouwonderneming
Parket bij de Hoge Raad
Belanghebbende exploiteerde samen met zijn broer een akkerbouwbedrijf en vormde in de jaren 1994-1996 landbouwgrond om tot blijvend bos, waarvoor zij subsidies ontvingen. Het geschil betrof de vraag of een boekverlies ten laste van het fiscale resultaat kon worden gebracht wegens de bestemmingswijziging van landbouwgrond in bos, en of bij waardevaststelling rekening mocht worden gehouden met toegekende subsidies.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de waarde in het economisch verkeer van de grond moest worden vastgesteld inclusief de (in het vooruitzicht gestelde) subsidies, waardoor geen sprake was van een boekverlies. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat bij staking van een gedeelte van de onderneming de percelen grond moeten worden gewaardeerd naar hun waarde in het economische verkeer, waarbij ook rekening moet worden gehouden met de subsidies. De grond hoeft niet noodzakelijkerwijs te worden gewaardeerd naar de waarde als bosbouwgrond, maar ook de waarde bij voortgezette agrarische bestemming is relevant.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat de wijziging van de bestemming van de grond leidde tot staking van het landbouwbedrijf en inbreng in de bosbouwonderneming, en dat de waardering inclusief subsidies correct was. Het beroep in cassatie van belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard; waardering van grond inclusief subsidies is correct en er is geen boekverlies.