Voetnoten
1.Inspecteur van de Belastingdienst/[P].
2.Rechtbank Leeuwarden 11 april 2011, nrs. AWB 09/2376 en 09/2575. De uitspraken zijn niet gepubliceerd. De uitspraken betreffende de broer van belanghebbende, nr. AWB 09/2377 en 09/2576 zijn gepubliceerd onder ECLI:NL:RBLEE:2011:BQ8923, NTFR 2011/1811 m. nt. H. Roerdink, V-N 2011/35.2.1. 3.Hof Arnhem-Leeuwarden 8 januari 2013, nrs. 11/00173 en 11/00174. De uitspraken zijn niet gepubliceerd.
4.De rechtbank duidt “belanghebbende” en de “Inspecteur” aan als respectievelijk “eiser” en “verweerder”.
5.A-G: Voordelen moet algebraïsch worden geïnterpreteerd en omvat zowel winst (waardestijging) als verlies (waardedaling).
6.Kamerstukken II 2001/02, 28 207, nr. 1, p. 33-34. Deze conclusie behandelt niet de belastbaarheid van bosbouwsubsidies. Hiervoor verwijs ik naar Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Inkomstenbelasting, Aantekening 2.3.8 bij artikel 3.11 Wet IB 2001, “Bij overgang van landbouwbedrijf op bosbouwbedrijf: welke subsidies zijn vrijgesteld?”.
7.Besluit Staatssecretaris van Financiën van 6 februari 2003, nr. CPP2003/92M, BNB 2003/163. Inmiddels vervangen door Besluit Minister van Financiën van 13 oktober 2010, nr. DGB2010/1981M, BNB 2010/338.
9.HR 14 mei 1969, nr. 16 117, ECLI: NL:HR:1969:AX6860, BNB 1969/137.
10.HR 17 december 1975, nr. 17 764, , ECLI: NL:HR:1975:AX4122, BNB 1976/31.
11.HR 8 juli 1996, nr. 30 962, ECLI: NL:HR:1996:AA1977, BNB 1996/311 m. nt. R.E.C.M. Niessen, V-N 1996/2804 m. nt. Red., FED 1996/ 558.
12.HR 16 december 1998, nr. 33 179, , ECLI: NL:HR:1998:AA2586, na conclusie plv. P-G Van Soest, BNB 1999/102 m. nt. G. Slot, V‑N 1999/2.10 m. nt. Red. FED 1999/135 m. nt. G.T.K. Meussen.
13.Voetnoot uit citaat: HR 11 december 1985, nr. 23 159, met conclusie van A-G Van Soest, BNB 1987/187.
14.Zie G.T.K. Meussen, Bedrijfswaarde, Deventer: Kluwer 1997, p. 117 e.v. “Dit is nog niet expliciet in de jurisprudentie beslist maar de bedrijfswaarde van een duurzaam geëxploiteerde onroerende zaak (die binnen de onderneming een zelfstandige positie inneemt en een zelfstandige vruchtdrager is) is in mijn optiek gelijk te stellen aan de verkoopwaarde vermeerderd met de overdrachtskosten. Deze laatste waarde zou immers een potentiële overnemer van de onderneming ook aan de onroerende zaak toekennen c.q. zou op basis daarvan de onroerende zaak buiten het verband van de onderneming kunnen worden verkocht zonder dat dit tot een discontinuïteit van de onderneming aanleiding geeft.”
15.HR 26 november 2010, nr. 09/00808, , ECLI: NL:HR:2010: BO5001, BNB 2011/26, NTFR 2010/2737 m. nt. Roerdink, V-N 2010/62.13 m. nt. redactie.
16.J. Renes en F. van Horzen, Het staken van een onderneming, FED fiscale brochure, Deventer: FED 1992, p. 67-69.
17.‘Groen geregeld, Mogelijkheden voor vergroening van beleidsinstrumenten voor het landelijk gebied’, Projectgroep 'Ecologisering Regelingen’, Ministerie van LNV, 15 april 1997,
18.D.J.J.M. Jansen, Recente ontwikkelingen rond de bosbouwvrijstelling, Weekblad 1999/6340, p. 664-669.
19.A-G: Hierover wordt momenteel een proefprocedure gevoerd. Rechtbank Noord-Nederland 5 september 2013, AWB-12_1013, ECLI:NL:RBNNE:2013:5368, V-N 2013/55.10 m. nt. Red. De rechtbank overwoog dat waardering van landbouwgronden op de WEVAB niet geoorloofd is omdat het in strijd is met het realiteits-, realisatie- en eenvoudbeginsel. 20.J.E.A.M. van Dijck en G.T.K. Meussen, Waarde in het economisch verkeer, FED fiscale brochure, Deventer: Kluwer 2004, p. 2, 6, 28, 106-107.
21.P.J.J.M. Denissen, A.A.J. Groenendaal en mr. P.L.F. Seegers, Waardering agrarische bedrijfsopstallen bij onttrekking van ondernemings- naar privé-vermogen, WFR 2004/724.
22.D.A. Albregtse, A.J.J. Bakker, R.B. Doorneweert, P. Kavelaars, G.S. Venema en M.N. van Wijk, ‘Fiscale faciliteiten en knelpunten natuurontwikkeling door particulieren’, Rapport 5.05.06, Den Haag, Landbouw Economisch Instituut, juni 2005,
23.A. Verduijn, Fiscale aspecten van bestemmingswijziging van landbouwgrond, Preadvies Vereniging voor Agrarisch Recht, Tijdschrift voor Agrarisch Recht 2007/4, p. 156-178.
24.Voetnoot uit citaat: HR 19 december 1979, nr. 19 529, BNB 1980/30.
25.Voetnoot uit citaat: HR 17 maart 1965, nr. 15 349, BNB 1965/160.
26.Voetnoot uit citaat: ‘Recente ontwikkelingen rond de bosbouwvrijstelling, J.J.M. Jansen, Weekblad 1999/6340, p. 664 -669.
27.Voetnoot uit citaat: ‘De onderneming in de primaire sector land- en tuinbouw anno 2001’, F.H. Schraven, MBB 2000/286.
28.S.F.J.J. Schenk en P.L.F. Seegers, De landbouwvrijstelling, 7e druk, Deventer: Kluwer 2012, p. 34.
29.NVM Agrarisch & Landelijk Vastgoed, Taxatierichtlijn Agrarisch Vastgoed, versie 1.0, juni 2012
30.A.W. de Beer, NDFR / Deel inkomstenbelasting / Wet IB 2001 / Art. 3.12 Landbouwvrijstelling / Commentaar 5.2. in dit verband schrijven Schenk en Seegers (zie noot 25, p. 86): Voor zover vergoedingen worden ontvangen – anders dan voor de waardedaling van de grond – door de gebruiksbeperking is het ontvangen bedrag belast. Zolang een vergoeding staat tegenover de waardedaling die de grond ondervindt in het agrarisch gebruik die een waardedaling van de WEVAB tot gevolg heeft, is de vergoeding onbelast.
31.Ch. P.A. Geppaart, Vermogensbelasting, vierde druk, Kluwer, Deventer 1995, blz. 160.
32.MvT Zitting 1958-1959 5380 nr. 5, blz. 7 lk en MvA nr 21, blz. 7 lk.
33.MvT Zitting 1958-1959 5380 nr. 5, blz. 7 lk.
34.MvT Zitting 1958-1959 5380 nr. 5, blz. 10 lk.
35.L.G.M. Stevens (red.), Inkomstenbelasting 2001, tweede druk, Kluwer, Deventer 2006, blz. 564-565 en 573.
36.M.A. Wisselink, J. Spaanstra en M.A. Wisselink, Overdrachts- en liquidatiewinst, zevende druk, Kluwer, Deventer 1994, blz. 107.
37.De waarde in het economisch verkeer van de percelen bij gebruik als bosgrond (in positieve zin rekeninghoudend met de waarde van de subsidies en in negatieve zin met de investeringen die nodig zijn om de grond als bos te kunnen exploiteren) zou wellicht hoger kunnen zijn dan de waarde bij voortgezette agrarische bestemming.
38.De inbrengwaarde in de bosbouwonderneming is naar mijn mening gelijk aan de vervreemdingswaarde van de landbouwonderneming.