ECLI:NL:PHR:2013:1646
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Opeisbaarheid en verjaring van alimentatiebetalingen na echtscheiding in Turkije
Partijen sloten een overeenkomst over de gevolgen van hun echtscheiding, waarbij de man verplicht was maandelijks een bedrag van €150,- aan de vrouw te betalen na de echtscheiding in Turkije op 27 februari 2004.
Het hof Amsterdam oordeelde dat de vrouw vanaf die datum onmiddellijke nakoming kon vorderen en dat de verjaringstermijn van vijf jaar voor de eerste betaling op 28 februari 2004 begon en op 28 februari 2009 eindigde. De vordering tot betaling van de eerste termijn was daardoor verjaard.
De vrouw stuitte de verjaring met een brief van 18 maart 2009 voor latere maandelijkse vorderingen. De man stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk op grond van art. 80a RO.
De Hoge Raad bevestigde dat de vordering tot betaling van het totaalbedrag van €4.000,- in maandelijkse termijnen pas aanvangt op de dag na de opeisbaarheid, namelijk de dag na de echtscheiding. De klacht van de man werd verworpen omdat deze geen kans van slagen had in cassatie.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens art. 80a RO.