ECLI:NL:PHR:2013:1646

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 november 2013
Publicatiedatum
9 december 2013
Zaaknummer
13/02398
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a ROArt. 3 Algemene termijnenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opeisbaarheid en verjaring van alimentatiebetalingen na echtscheiding in Turkije

Partijen sloten een overeenkomst over de gevolgen van hun echtscheiding, waarbij de man verplicht was maandelijks een bedrag van €150,- aan de vrouw te betalen na de echtscheiding in Turkije op 27 februari 2004.

Het hof Amsterdam oordeelde dat de vrouw vanaf die datum onmiddellijke nakoming kon vorderen en dat de verjaringstermijn van vijf jaar voor de eerste betaling op 28 februari 2004 begon en op 28 februari 2009 eindigde. De vordering tot betaling van de eerste termijn was daardoor verjaard.

De vrouw stuitte de verjaring met een brief van 18 maart 2009 voor latere maandelijkse vorderingen. De man stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk op grond van art. 80a RO.

De Hoge Raad bevestigde dat de vordering tot betaling van het totaalbedrag van €4.000,- in maandelijkse termijnen pas aanvangt op de dag na de opeisbaarheid, namelijk de dag na de echtscheiding. De klacht van de man werd verworpen omdat deze geen kans van slagen had in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens art. 80a RO.

Conclusie

13/02398
Mr. P. Vlas
Zitting, 29 november 2013
Conclusie inzake art. 80a RO:
[de man]
(hierna: de man)
tegen
[de vrouw]
(hierna: de vrouw)
1. Tussen partijen geldt een overeenkomst met betrekking tot de gevolgen van hun echtscheiding, op grond waarvan de man onder andere is gehouden tot betaling aan de vrouw van € 4.000,- in maandelijkse termijnen van € 150,- nadat de echtscheiding in Turkije zou zijn uitgesproken. Bij arrest van 29 januari 2013 heeft het hof Amsterdam, onder vernietiging van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 oktober 2010, de man veroordeeld om aan de vrouw een bedrag van € 3.850,- te betalen vermeerderd met de wettelijke rente. Tegen dit arrest heeft de man tijdig [1] cassatieberoep ingesteld.
2. Het hof heeft overwogen dat, gelet op de in Turkije uitgesproken echtscheiding op 27 februari 2004, de vrouw vanaf die datum telkens de onmiddellijke nakoming van de man van zijn verplichting tot maandelijkse betaling van € 150,- kon vorderen. De verjaringstermijn van vijf jaar is voor de eerste maandelijkse betaling op 28 februari 2004 aangevangen en is op 28 februari 2009 geëindigd; de vordering tot betaling van de eerste termijn van € 150,- is derhalve verjaard. Met de brief van 18 maart 2009 heeft de vrouw de verjaring gestuit voor zover het de maandelijkse vorderingen betreft waarvan zij na 18 maart 2004 de onmiddellijke nakoming kon vorderen (rov. 4.6).
3. De tegen dit oordeel aangevoerde klacht rechtvaardigt geen behandeling in cassatie, omdat de klacht klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden. De klacht miskent dat de vordering van de vrouw op betaling van € 4.000,- in maandelijkse termijnen niet eerder is aangevangen dan op de dag volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden, te weten 27 februari 2004 op welke datum de echtscheiding tussen partijen in Turkije is uitgesproken.
4. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De cassatiedagvaarding is gedateerd: 1 mei 2013. 29 en 30 april 2013 zijn algemeen erkende feestdagen in de zin van art. 3 (derde respectievelijk eerste lid) van de Algemene termijnenwet, zie Besluit van 7 juni 2010, Stcrt. 2010, nr. 9302.