De verdachte is op 25 januari 2011 op uitnodiging van de politie vrijwillig aan het bureau verschenen en heeft voorafgaand aan zijn verhoor als verdachte zijn advocaat mr. Zwart gesproken, zo blijkt uit het proces-verbaal van 25 januari 2011 (dossierparagraaf D5, pagina 13). Niet is gebleken dat mr. Zwart toen heeft medegedeeld dat hij bij het verhoor van de verdachte aanwezig wenste te zijn. Onder deze omstandigheden is geen sprake van schending van de geldende normen ten aanzien van rechtsbijstand van de verdachte, zodat naar het oordeel van het hof van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering geen sprake is. Ook dit verweer verwerpt het hof derhalve in al zijn onderdelen.’
10. In feitelijke aanleg is de Salduz-problematiek in een andere sleutel gezet dan thans in cassatie.
11. De pleitnotitie van de raadsman, die ter terechtzitting van het Hof van 10 mei 2012 is overgelegd en deel uitmaakt van het daarvan opgemaakte proces-verbaal, houdt met betrekking tot ‘Salduz’ het volgende in:
‘2. Salduz
Onder verwijzing naar de aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor (15 april 2010) het volgende. Cliënt is niet gewezen op het recht op verhoorbijstand. De verhoren hebben dan ook plaatsgevonden zonder deze bijstand. Alle verklaringen die cliënt als verdachte heeft afgelegd moeten worden uitgesloten van het bewijs. Er moet als u dit niet volgt rekening mee worden gehouden in de strafmaat.’
12. In feitelijke aanleg is gesteld dat verdachte niet is gewezen op het recht op verhoorbijstand. Op dat verweer heeft het Hof gereageerd. Overigens blijkt uit het aanhoudingsproces-verbaal van 25 januari 2011 ook met zoveel woorden dat verdachte door verbalisant [verbalisant 11] is gewezen op het recht op consultatiebijstand voor het verhoor, op verhoorbijstand door een raadsman of vertrouwenspersoon, op de mogelijkheid afstand te doen van het recht op verhoorbijstand en op de mogelijkheid om in plaats van een toegewezen raadsman, voor eigen rekening, een zelf gekozen raadsman te consulteren. Vervolgens is de piketcentrale volgens datzelfde proces-verbaal ingelicht. Het verweer dat verdachte niet gewezen is op de mogelijkheid van verhoorbijstand heeft het Hof dus niet onbegrijpelijk verworpen.
13. Het komt mij voor dat gelet op de wijze waarop het verweer was ingericht het Hof niet behoefde te beslissen over de vraag of uitdrukkelijk afstand is gedaan van de aangeboden verhoorbijstand. Aangevoerd is dat de verhoren hebben plaatsgevonden zonder verhoorbijstand
omdat(‘dan ook’) de verdachte niet op het recht op verhoorbijstand is gewezen. Een dergelijk causaal verband is er niet omdat verdachte wel degelijk voorafgaand aan zijn verhoor en voorafgaand aan het contact dat hij met zijn raadsman heeft gehad, is gewezen op zijn recht op verhoorbijstand. Tegen deze achtergrond mocht het Hof ervan uitgaan dat de vraag of verdachte daarvan gebruik wilde maken in goed overleg tussen hem en de piketadvocaat zou worden besproken en dat verdachte, indien hij bij het verhoor alsnog van de mogelijkheid van verhoorbijstand gebruik zou wensen te maken, dit zou kenbaar maken.
14. Samengevat is ter terechtzitting van het Hof als verweer gevoerd dat de verhoren van het bewijs moeten worden uitgesloten omdat deze hebben plaatsgevonden zonder verhoorbijstand terwijl dat het gevolg is van het feit dat verdachte niet is gewezen op zijn recht op verhoorbijstand. Het Hof heeft het verweer in deze zin kunnen opvatten. Bij deze uitleg van het verweer is het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk zodat het middel faalt.
15. Het middel faalt.
16. Ambtshalve gronden die tot vernietiging van het bestreden arrest zouden moeten leiden, heb ik niet aangetroffen.
17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden