In deze zaak heeft de officier van justitie met machtiging van de rechter-commissaris een vordering gedaan tot het verstrekken van gevoelige verlofgegevens van een patiënt van de forensisch psychiatrische afdeling van Stichting Mondriaan. Klager, de geneesheer-directeur, beriep zich op het medisch beroepsgeheim en stelde dat deze gegevens niet verstrekt mogen worden tenzij sprake is van zeer uitzonderlijke omstandigheden.
De rechtbank Maastricht oordeelde dat de gevorderde gegevens inderdaad onder het medisch beroepsgeheim vallen en dat de officier van justitie onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er zulke uitzonderlijke omstandigheden waren die een doorbreking rechtvaardigen. Met name was onduidelijk waarom de verdachte niet kon worden verhoord om de benodigde informatie te verkrijgen.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank en wijst op het belang van het medisch beroepsgeheim en de zware motiveringseisen voor doorbreking daarvan. De Hoge Raad benadrukt dat het standpunt van de geheimhouder in beginsel moet worden geëerbiedigd en dat de officier van justitie onvoldoende concrete feiten heeft aangevoerd om het belang van het opsporingsonderzoek zwaarder te laten wegen dan het verschoningsrecht.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee de bescherming van het medisch beroepsgeheim in deze context wordt bevestigd.