Het gerechtshof Arnhem heeft verdachte veroordeeld tot zestien jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van moord en een schadevergoeding van €34.810,71 opgelegd aan de benadeelde partij. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit vonnis met drie middelen.
Het eerste middel betrof de afwijzing van verzoeken tot toevoeging van het integrale Crick-dossier en andere stukken aan het procesdossier. Het hof oordeelde dat alleen het proces-verbaal van het Crick-onderzoek noodzakelijk was, niet het gehele dossier of andere onderzoeken. De Hoge Raad vond dit oordeel begrijpelijk en faalde het middel.
Het tweede middel richtte zich op een vormverzuim rond het niet tijdig vernietigen van geheimhoudersgesprekken. Het hof stelde vast dat ondanks het verzuim de belangen van verdachte niet waren geschaad omdat de gesprekken alsnog vernietigd werden. De Hoge Raad vond dit oordeel niet onbegrijpelijk en verwierp het middel.
Het derde middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hof erkende een geringe overschrijding maar verbond daaraan geen consequenties. De Hoge Raad oordeelde dat dit onbegrijpelijk was omdat verdachte in voorlopige hechtenis zat en de overschrijding ruim elf maanden bedroeg. Daarom vernietigde de Hoge Raad de strafoplegging en stelde voor ambtshalve de straf te verminderen. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen.