Conclusie
Het middel
Parket bij de Hoge Raad
Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage had verdachte veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder poging tot diefstal door braak en inklimming in een kantoorpand te Gouda. Verdachte verklaarde dat hij het pand wilde kraken omdat hij zijn woning zou verliezen, en ontkende het oogmerk om geld of goederen weg te nemen.
Het hof verwierp dit verweer en achtte bewezen dat verdachte met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening het pand was binnengedrongen, mede op grond van waarnemingen van verbalisanten die glasgerinkel en breekgeluiden hoorden. Het hof vond het ongeloofwaardig dat iemand die enkel wil kraken, vernielingen zou aanrichten.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de bewijsvoering volgt. De Hoge Raad wijst erop dat het pand enkele dagen eerder was afgesloten na een uitzetting en leeg stond, zodat het niet onaannemelijk is dat er niets te halen viel. Ook is niet vastgesteld wat de aard was van de vernielingen die de breekgeluiden veroorzaakten, waardoor het niet uitgesloten is dat deze handelingen gericht waren op het verder kraken van het pand.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het betrekking heeft op het onder 3 tenlastegelegde feit en de strafoplegging, en verwijst de zaak terug voor een nieuwe beslissing. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest voor het onder 3 tenlastegelegde feit wegens onvoldoende motivering van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.