Conclusie
Onderdeel 1komt er, naar de kern genomen, op neer dat het Hof niet de vrijheid had om op grond van de door hem genoemde “bijzondere omstandigheden” [de vrouw] in haar hoger beroep te ontvangen.
Onderdeel 1.3klaagt daar terecht over.
Parket bij de Hoge Raad
Deze zaak betreft de verdeling van de nog onverdeelde huwelijksgemeenschap tussen partijen. De vrouw stelde hoger beroep in tegen een beschikking van de rechtbank waarin Nederlands recht werd toegepast op het huwelijksvermogensregime. Hoewel zij het hoger beroep te laat instelde, had het hof haar toch in hoger beroep ontvangen op grond van bijzondere omstandigheden en de instemming van partijen om de zaak ten gronde te behandelen.
De Hoge Raad oordeelt dat appeltermijnen van openbare orde zijn en niet kunnen worden overschreden op basis van belangenafwegingen. De vrouw had het hoger beroep binnen de wettelijke termijn moeten instellen. Het hof had ten onrechte de vrouw ondanks de overschrijding in hoger beroep ontvangen. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van het hof en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Amsterdam voor verdere behandeling in het stadium waarin de procedure verkeerde ten tijde van het te laat instellen van het hoger beroep. Deze uitspraak bevestigt het strikte karakter van beroepstermijnen en beperkt de mogelijkheid tot prorogatie of verlenging buiten de wettelijke kaders.
Uitkomst: Hoger beroep van de vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke beroepstermijn.