Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
onvoorwaardelijkeovereenkomst hebben gesloten. Na getuigenverhoor heeft de rechtbank bij eindvonnis van 25 november 2009 de vorderingen afgewezen. Zij overwoog dat [verweerder] het opgedragen bewijs niet heeft geleverd en dat de overeenkomst is aangegaan onder de niet vervulde opschortende voorwaarde dat een akkoord met de schuldeisers van [verweerder] tot stand zou komen. De primair aangevoerde grondslag faalde. Ook de subsidiair door [verweerder] aangevoerde grondslagen precontractuele goede trouw en onrechtmatige daad werden door de rechtbank van de hand gewezen. Bij conclusie na enquête (blz. 6) heeft [verweerder] de grondslag van zijn vorderingen aangevuld met een beroep op ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling. De rechtbank verwierp deze laatste grondslagen als onvoldoende uitgewerkt (rov. 2.16 Rb).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
in naturaworden teruggegeven: de patiëntenbestanden zijn inmiddels vermengd met die van Escura en verdeeld over diverse Escura-apotheken in Roermond en omgeving; de voorraden zijn inmiddels verbruikt of verkocht en de vorderingen op de debiteuren zijn inmiddels geïncasseerd. Escura dient hem een vergoeding te betalen: “Die compensatie is gelijk aan de waarde van hetgeen [verweerder] onverschuldigd overgedragen en niet terugontvangen heeft” [7] .
mede ookop grond van art. 6:210 BW Pro. Die compensatie is volgens [verweerder] gelijk aan de waarde van hetgeen hij aan Escura Apotheken had overgedragen. “Nu Escura niet tot ongedaanmaking is overgegaan schiet zij jegens [verweerder] tekort en dient Escura ook de schade van [verweerder] te vergoeden” [9] . Bij pleidooi in hoger beroep heeft [verweerder] dit betoog herhaald en daaraan toegevoegd: “Zou de vordering niet gegrond kunnen worden op de titel van betaling van een koopsom, maar op de vergoeding van schade dan wordt het toe te wijzen bedrag daardoor niet anders, omdat de waarde van hetgeen vergoed moet worden gelijk is aan het bedrag dat als koopsom is overeengekomen. (...)” [10] .
porta-cabin) in Herten-Meerum gevestigde Escura apotheek.
Subonderdeel 7.1klaagt dat indien het hof in rov. 2.17 van oordeel is dat [verweerder] op grond van art. 6:203 BW Pro recht heeft op (vervangende) schadevergoeding, dat oordeel onjuist is omdat art. 6:203 BW Pro (in verbinding met art. 6:25, A-G) slechts aanspraak geeft op de teruggave van de onverschuldigd verstrekte goederen respectievelijk op ongedaanmaking van de geleverde prestatie.
Onderdeel 6heeft betrekking op de waarde van de goodwill. De klacht komt erop neer dat het hof in rov. 2.18 en 2.19 ten onrechte een verzwaarde stelplicht van Escura Apotheken heeft aangenomen, althans zijn oordeel over de schade ontoereikend heeft gemotiveerd. De toelichting op deze klacht houdt in dat Escura Apotheken in de procedure er geen rekening mee behoefde te houden dat het hof de vordering van [verweerder] zou opvatten als een vordering tot vergoeding van schade ten gevolge van de niet nakoming van de verplichting tot teruggave van de activa. Indien het hof partijen ook voor deze schadepost zou hebben doorverwezen naar een schadestaatprocedure, had hierover nog debat kunnen plaatsvinden, aldus de klacht.
vervangendeschadevergoeding niet tevens leidt tot een aanspraak op
aanvullendeschadevergoeding, is het oordeel volgens de klacht evenzeer onjuist. Subsidiair wordt geklaagd over een ontoereikende motivering.