De verdachte werd door het Hof Arnhem veroordeeld voor medeplegen van verduistering, witwassen en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, met een gevangenisstraf van 23 maanden. Tijdens het hoger beroep verzocht de verdediging om het horen van een getuige en een deskundige, verzoeken die door het Hof werden afgewezen. De verdediging stelde dat het Hof onjuiste maatstaven had toegepast bij de afwijzing, met name het noodzaakcriterium in plaats van het juiste verdedigingsbelang.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof bij het verzoek om het horen van de getuige en deskundige een onjuiste maatstaf had gehanteerd. De juiste maatstaf is het criterium van het verdedigingsbelang, waarbij moet worden beoordeeld of het niet horen van de getuige of deskundige de verdediging redelijkerwijs schaadt. De Hoge Raad constateerde dat het Hof dit criterium niet juist had toegepast en dat de afwijzing onvoldoende was gemotiveerd.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het Hof voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep, waarbij het Hof de verzoeken opnieuw moet beoordelen volgens het juiste criterium. De zaak betreft tevens een samenhang met andere zaken, en de Hoge Raad benadrukte het belang van een correcte toepassing van procesrechtelijke normen bij het beoordelen van onderzoeksverzoeken.