ECLI:NL:PHR:2013:1924

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
1 oktober 2013
Publicatiedatum
13 december 2013
Zaaknummer
12/00646
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 328 SvArt. 316 SvArt. 410.1 SvArt. 418.1 SvArt. 288.1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens onjuiste maatstaf bij afwijzing getuigen- en deskundigenverzoek

De verdachte werd door het Hof Arnhem veroordeeld voor medeplegen van verduistering, witwassen en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie, met een gevangenisstraf van 23 maanden. Tijdens het hoger beroep verzocht de verdediging om het horen van een getuige en een deskundige, verzoeken die door het Hof werden afgewezen. De verdediging stelde dat het Hof onjuiste maatstaven had toegepast bij de afwijzing, met name het noodzaakcriterium in plaats van het juiste verdedigingsbelang.

De Hoge Raad oordeelde dat het Hof bij het verzoek om het horen van de getuige en deskundige een onjuiste maatstaf had gehanteerd. De juiste maatstaf is het criterium van het verdedigingsbelang, waarbij moet worden beoordeeld of het niet horen van de getuige of deskundige de verdediging redelijkerwijs schaadt. De Hoge Raad constateerde dat het Hof dit criterium niet juist had toegepast en dat de afwijzing onvoldoende was gemotiveerd.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het bestreden arrest en verwees de zaak terug naar het Hof voor een nieuwe beoordeling van het hoger beroep, waarbij het Hof de verzoeken opnieuw moet beoordelen volgens het juiste criterium. De zaak betreft tevens een samenhang met andere zaken, en de Hoge Raad benadrukte het belang van een correcte toepassing van procesrechtelijke normen bij het beoordelen van onderzoeksverzoeken.

Uitkomst: Het arrest van het Hof Arnhem wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het hoger beroep.

Conclusie

Nr. 12/00646
Zitting: 1 oktober 2013
Mr. Hofstee
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij arrest van 24 januari 2012 verzoeker wegens 1. Primair “Medeplegen van verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft”, 2. “witwassen” en 3. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het Hof een aantal inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard dan wel onttrokken aan het verkeer, en de teruggave gelast van enige andere inbeslaggenomen voorwerpen aan verzoeker respectievelijk aan de rechthebbenden. Verder heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen, en voor het toegewezen bedrag van € 558,05 een schadevergoedingsmaatregel, subsidiair 11 dagen hechtenis, opgelegd.
2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 12/04379, 12/04378P, 12/00646 en 12/00647P. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.
3. Namens verzoeker hebben mr. M. Snoeks en mr. R. Zilver, beiden advocaat te Utrecht, een schriftuur houdende vijf middelen van cassatie ingezonden.
4. Het
eerste middelklaagt dat het Hof het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuige [betrokkene 2] en de deskundige Kuylman met toepassing van het onjuiste criterium – te weten het noodzaakcriterium - heeft afgewezen, althans dat het Hof die afwijzing onbegrijpelijk dan wel ontoereikend heeft gemotiveerd.
5. Namens verzoeker is op 26 april 2011 hoger beroep ingesteld. Op 10 mei 2011 en dus tijdig is namens verzoeker een appelschriftuur als bedoeld in art. 410, eerste lid, Sv ingediend. In deze schriftuur is het verzoek neergelegd om (onder anderen) [betrokkene 2] als getuige en Ing. M. Kuylman als deskundige te (doen) horen. Blijkens aan de cassatieschriftuur gehechte afschriften van emailberichten ontving de raadsman van verzoeker namens de voorzitter van de strafkamer van het Hof een emailbericht van mr. B.P. Snijder d.d. 25 mei 2011, door mij samengevat inhoudende dat vanwege een uitgevoerd experiment om de uitval van zaken op strafzittingen en tijdverlies zoveel mogelijk te voorkomen en ook tot een efficiëntere inhoudelijke behandeling ter terechtzitting te komen in een zeer vroeg stadium nodig is van de procespartijen te vernemen of er onderzoekswensen bestaan alsmede het aan de raadsman gerichte verzoek om aan te geven of er onderzoekswensen zijn en in dat geval te reageren waarbij desgewenst volstaan kon worden met het toevoegen van de appelschriftuur als bijlage bij de reactie. Daarop heeft de raadsman bij email van 31 mei 2011 de appelschriftuur bijgevoegd. Blijkens een daarop volgende email van mr. B. Snijder d.d. 1 juni 2011 waren de in de appelschriftuur genoemde onderzoekswensen niet voorzien van een (uitgebreide) onderbouwing, en werd de raadsman in de gelegenheid gesteld alsnog een nadere onderbouwing aan de voorzitter van de strafkamer van het Hof te zenden. Aan dit verzoek heeft de raadsman voldaan bij email van 29 juni 2011. [1]
6. Uit art. 418, tweede lid, Sv in verbinding met art. 288, eerste lid aanhef en onder c, Sv en, wat de deskundige betreft, art. 299 Sv Pro volgt [2] dat een dergelijk verzoek dient te worden beoordeeld aan de hand van het criterium van het zogenoemde verdedigingsbelang [3] , waarbij de rechter onder ogen heeft te zien of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdediging door het afzien van de oproeping van de getuige niet in haar belangen wordt geschaad.
7. Bij tussenarrest van 6 september 2011 heeft het Hof geoordeeld, voor zover hier van belang:
“De verzoeken om de getuigen [betrokkene 1], [medeverdachte] en [betrokkene 3] te horen zullen worden toegewezen. (…). Het hof acht het niet noodzakelijk om getuige [betrokkene 2] te horen en om een onderzoek te laten stellen naar de telecomgegevens en wijst de verzoeken af (kennelijk ook het verzoek om Kuylman als deskundige te horen, EH).”
8. Blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal is de terechtzitting op 10 januari 2012 opnieuw aangevangen in verband met de gewijzigde samenstelling van het Hof. In datzelfde proces-verbaal valt het volgende te lezen:
“De raadsman deelt mede, zakelijk weergegeven, als volgt.
Het Hof heeft de behandeling van deze strafzaak opnieuw aangevangen. Ik verzoek het hof daarom alle de door mij in mijn appelschriftuur gedane verzoeken hier als herhaald te beschouwen. Ik verzoek het hof opnieuw op deze verzoeken te beslissen.
De advocaat-generaal en het hof stemmen er mee in dat de in de appelschriftuur van de raadsman vermelde verzoeken hier als herhaald en ingelast te beschouwen.
(…)
Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat de verzoeken van de raadsman worden afgewezen als verwoord door het hof in zijn tussenarrest van 6 september 2011.”
9. Uit het voorgaande volgt dat het Hof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van het verzoek van de verdediging om de getuige [betrokkene 2] en de deskundige Kuylman te (doen) horen. [4] Dit brengt mee dat het middel daarover terecht klaagt [5] en de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.
10. Indien Uw Raad tot een ander standpunt komt, ben ik uiteraard graag bereid aanvullend te concluderen.
11. Het eerste middel slaagt.
12. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Door aan te geven dat de verklaring van [betrokkene 2] is gebruikt als steunbewijs voor de verklaringen van [betrokkene 1], en aldus belastend is en om [betrokkene 2] ter gelegenheid van een meervoudige fotoconfrontatie te vragen of hij verzoeker herkent. Kuylman zou als erkend deskundige onderzoek kunnen doen naar de historische printgegevens. Ik begrijp het schrijven van de raadsman in samenhang met de appelschriftuur, aldus dat hij de deskundige daarover eerst op de zitting wil horen.
2.Nu zich hier niet voordoet de uitzondering van art. 418, tweede lid, Sv, zo laat een blik over de papieren muur zien.
3.Vgl. HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626 m.nt. Mevis.
4.Vgl. onder meer HR 15 november 2011, LJN BT2561, rov. 2.5, HR 7 februari 2012, LJN BU7346, rov. 2.3 en HR 11 januari 2011, LJN BO1584, rov. 2.3.
5.Hoewel de steller van het middel daarbij vooral het oog lijkt te hebben op het tussenarrest van het Hof van 6 september 2011, meen ik dat het middel zelf naar zijn inhoud zich tevens keert tegen de tussenbeslissing van het Hof op de terechtzitting van 10 januari 2012, zodat het middel zich voor bespreking in cassatie leent.