Conclusie
eerste middel, gelezen in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat de bestreden uitspraak niet de bewijsmiddelen inhoudt waaraan het Hof de schatting van de omvang van het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft ontleend.
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
had kunnen opbrengen. In dat verband achtte het Hof het niet onaannemelijk dat de betrokkene bij verkoop van de gestolen sieraden in het criminele circuit ongeveer 15 procent van de winkelwaarde van de sieraden
zou kunnen krijgen. Het Hof schatte het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op fl. 20.000,- en legde aan hem de verplichting op tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [1] De overwegingen van de Hoge Raad in voornoemd arrest luiden als volgt:
Op grond van het vorenoverwogene moet worden aangenomen dat, mede gelet op het reparatoire karakter van de maatregel, bij de bepaling van het voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.
4.5
In deze zaak heeft het Hof feitelijk vastgesteld dat Van H. in het criminele circuit - waarop hij klaarblijkelijk voor de afzet van de hoeveelheid gestolen sieraden was aangewezen - een verkoopprijs van fl. 20.000 heeft bedongen en gelet op de omstandigheden van het geval redelijkerwijze heeft kunnen bedingen. Gelet daarop heeft het Hof geoordeeld dat het wederrechtelijk voordeel moet worden geschat op fl. 20.000.
4.6
Voorzover het middel dat oordeel bestrijdt met een beroep op het bepaalde in art. 36e, vierde lid, derde volzin, Sr, faalt het, aangezien die bepaling geen dwingend voorschrift bevat en voorts, gelet op de toelichting daarop in de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 1989?1990, 21.504, nr. 3, blz. 16), kennelijk ziet op ten tijde van de rechterlijke beslissing aan de veroordeelde toebehorende voorwerpen ‘die geacht worden het wederrechtelijk voordeel (mede) te belichamen’. Voorzover het middel op het standpunt berust dat de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel in een geval als het onderhavige uitsluitend mag worden bepaald op het bedrag dat de dief had behoren te betalen indien hij het gestolene legaal had verworven, kan het evenmin tot cassatie leiden, aangezien die opvatting gelet op het vorenoverwogene geen steun vindt in het recht.
4.7
Het hiervoor onder 4.5 weergegeven oordeel van het Hof geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het kan in cassatie niet verder worden getoetst.”
tweede middel, gelezen in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de betrokkene ex art. 36e, zevende lid Sr, hoofdelijk aansprakelijk is voor de gezamenlijke betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, nu sprake is van medeplegen van verduistering in dienstbetrekking en doordat art. 36e, zevende lid, Sr in werking is getreden op 1 juli 2011, terwijl de bewezenverklaring inhoudt dat het feit is gepleegd op 12 maart 2010. Volgens de steller van het middel is art. 1, tweede lid, Sr geschonden.
Voordien kende het Nederlandse recht niet een zodanige bepaling, terwijl in HR 7 december 2004, LJN AQ8491, NJ 2006/63 is beslist dat de maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ertoe strekt de betrokkene het voordeel te ontnemen dat hijzelf daadwerkelijk wederrechtelijk heeft verkregen, zodat (naar de toenmalige stand van de wetgeving) onjuist is de opvatting dat de in art. 36e Sr bedoelde betalingsverplichting kan worden opgelegd tot het volledige bedrag dat een betrokkene en zijn mededader tezamen hebben verkregen zonder dat behoeft te worden vastgesteld welk deel daarvan in het vermogen van de betrokkene is gevloeid.