Conclusie
21. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met het nummer 2009030848 van 1 februari 2010, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (Dossiermap [verdachte] vde 1.01, doorgenummerde pagina's 72-76). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 1 februari 2010 tegenover de verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde
“Overwegingen ten aanzien van het bewijs van het onder 4 ten lastegelegde
het kamp op en afloopt(en sluit daarna gemakshalve af met de opmerking dat het heel goed denkbaar is dat een derde het wapen op een voor een ieder toegankelijke plaats heeft verstopt), terwijl de verdachte op een vraag van de raadsman slechts heeft geantwoord dat het
woonwagenkampeenvoudig toegankelijk is voor derden. Het middel is dan ook in zoverre tevergeefs voorgesteld.
“Vrijspraak feit 3
- (i) ten laste van de verdachte zal worden uitgegaan van één transactie waarbij hennep is vervoerd en overgedragen;
- (ii) dat brengt met zich dat in deze zaak een rechtstreeks verband met concrete misdrijven die financieel voordeel voor de verdachte zouden hebben opgeleverd nagenoeg ontbreekt, reden waarom het toetsingskader van toepassing is dat wordt gehanteerd ingeval sprake is van een tenlastelegging van witwassen waarbij geen direct bewijs voor brondelicten aanwezig is
- (iii) er is sprake van een
- (iv) de advocaat-generaal heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat het aan de verdachte is aannemelijk te maken dat alle uitgaven wel verklaard kunnen worden uit legale bronnen en dat, nu een dergelijke verklaring ontbreekt, witwassen bewezen kan worden verklaard;
- (v) een dergelijke verklaring van de verdachte ontbreekt echter niet. De verdachte heeft gedurende het onderzoek telkens verklaard dat hij in auto’s handelt. Voorts heeft hij verklaard een financiële reserve te hebben opgebouwd uit de maandelijkse uitkeringen die hij tijdens zijn detentie ontving. Verder is gebleken dat de verdachte over een niet nader onderzochte bankrekening beschikte;
- (vi) hoewel het dossier niet primair vanuit een financiële oriëntatie is opgebouwd kan op grond van de bevindingen van de politie als vaststaand worden aangenomen dat de verdachte heeft gehandeld in auto's en dat de daarmee gegenereerde omzet noch het daaruit verkregen inkomen door hem aan de fiscus adequaat is verantwoord. In zoverre kan de conclusie worden getrokken dat
- (vii) de omvang van de omzet respectievelijk het inkomen waarvoor een aangifteverplichting bestond is echter niet onderzocht door ter zake deskundige of bevoegde ambtenaren en valt ook overigens niet af te leiden uit of te ramen op basis van informatie in het dossier (bijvoorbeeld door opgelegde belastingaanslagen);
- (viii) de inhoud van het requisitoir van de advocaat-generaal geeft overigens geen aanleiding ervan uit te gaan dat de advocaat-generaal het oog heeft gehad op fiscale misdrijven als brondelicten;
- (ix) bij deze stand van zaken komt het Hof tot het oordeel dat
- (x) gelet echter op de bewoordingen van de tenlastelegging en de daarop door de advocaat-generaal in het bestek van haar requisitoir gegeven toelichting moet het er evenwel voor worden gehouden dat de steller van de tenlastelegging niet het oog heeft gehad op een, van de feitelijke bevindingen geabstraheerde en naar omvang niet gedefinieerde, geldstroom die het resultaat is van niet nader onderzochte fiscale delicten;
- (xi) de advocaat-generaal heeft door zich op het standpunt te stellen dat het de verdachte is die de gepresenteerde bewijsmiddelen moet weerspreken bij gebreke waarvan de bewezenverklaring van “een geldbedrag” mogelijk is, een onjuiste uitleg gegeven aan het toetsingskader;
- (xii) in tegenstelling tot een ontnemingsprocedure dienen in een strafzaak waarin witwassen bewezen dient te worden verklaard namelijk hogere eisen te worden gesteld aan precisie en concreetheid van hetgeen bewezen moet worden verklaard en van daaraan ten grondslag te leggen redengevende feiten en omstandigheden. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor
- (xiii) de advocaat-generaal heeft door dit onderscheid onvoldoende in acht te nemen niet onderkend dat
- (xiv) gelet op de verklaringen van de verdachte
- (xv) hetgeen een verplichting voor het Openbaar Ministerie opleverde om in de vorm van nader onderzoek feiten en omstandigheden aan te brengen die de legale herkomst van de ten laste gelegde geldbedragen en voorwerpen met een voldoende mate van zekerheid zouden kunnen uitsluiten. Dit laatste is onvoldoende gebeurd;
- (xvi) gelet op het voorgaande en op het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs, dient de verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde (medeplegen van) gewoontewitwassen.