4.2 In het nu bestreden arrest is overwogen, voor zover hier van belang en wederom met weglating van de voetnoten:
“3.4. De strafbaarheid van de verdachte
De rechtbank heeft de verdachte niet strafbaar geoordeeld met betrekking tot het bewezen verklaarde en [verdachte] ontslagen van alle rechtsvervolging wegens verontschuldigbare onbewustheid van [verdachte] ten aanzien van de (on)geoorloofdheid van de verweten gedraging.
3.4.1. Het standpunt van het OM in hoger beroep.
Het OM heeft het oordeel van de rechtbank bestreden en zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] geen beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling toekomt. [verdachte] was als professionele afvalverwerker de eerst aangewezene om te onderzoeken welke mogelijkheden zij had om zich te ontdoen van de afvalstoffen afkomstig van [A]. [verdachte] had de zelfstandige verplichting zich daarover te informeren, enerzijds door het raadplegen van de eigen vergunningen, anderzijds door zo nodig advies te vragen aan alle betrokken bevoegde overheidsinstanties. Desondanks is [verdachte] afgegaan op de - naar zij wist - gebrekkige toestemming van DMB en heeft zij bewust nagelaten de overige bevoegde gezagen te raadplegen.
3.4.2. Het standpunt van de verdediging in hoger beroep.
Meest subsidiair, te weten voor het geval alle eerder gevoerde verweren niet zouden slagen, heeft de verdediging, onder handhaving van de in eerste aanleg gevoerde verweren, gesteld dat [verdachte] dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens verontschuldigbare rechtsdwaling. Deze rechtsdwaling berust op twee gronden, die de verdediging als volgt heeft toegelicht.
Ten eerste mocht [verdachte] er op vertrouwen dat de aan haar verstrekte inzamelvergunning, inrichtingsvergunning, ontheffing van de Haven Amsterdam en toestemmende beschikking van DMB in overeenstemming met de wettelijke voorschriften waren verstrekt en dat zij gerechtigd was van deze vergunningen en beschikkingen gebruik te maken, ook indien achteraf wordt geconcludeerd dat een of meer van deze stukken in strijd met een wettelijk voorschrift zijn afgegeven. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien de vergunningen en beschikkingen een zo onmiskenbare wetschending opleverden, dat [verdachte] had moeten begrijpen dat deze nooit verleend of verstrekt hadden mogen worden. Hiervan is in het onderhavige geval geen sprake. De inrichtingsvergunning van [verdachte] is in overeenstemming met het rapport 'De verwerking verantwoord' en het LAP. De Afdeling Rechtspraak van de Raad van State acht het teruggeven van afvalstoffen voordat feitelijke acceptatie heeft plaatsgevonden niet in strijd met artikel 10.37 Wm. De inzamelvergunning sluit aan bij de acceptatieprocedure van de inrichtingsvergunning en laat de mogelijkheid tot teruglevering zoals die uit de inrichtingsvergunning voortvloeit in stand. Zelfs indien het hof tot het oordeel zou komen dat de vergunningen die aan [verdachte] zijn verleend in strijd zijn met artikel 10.37 Wm, kan niet worden gezegd dat sprake is van een zo onmiskenbare wetsschending dat [verdachte] moest begrijpen dat deze vergunningen niet verleend hadden mogen worden. Dit geldt evenzeer voor de door de Havendienst verleende ontheffing en de door DMB gegeven toestemming. Ter onderbouwing van dit betoog heeft de verdediging verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 13 november 1984 (Camping Domburg).
Ten tweede zag [verdachte] zich op 3 juli 2006 geconfronteerd met een zeer uitzonderlijke situatie, die juridisch uiterst complex was. [verdachte] en alle betrokken milieuspecialistische overheidsautoriteiten zijn er steeds vanuit gegaan dat acceptatie van de afvalstoffen gebonden was aan verwerking van die stoffen. Van verwerking was en is naar de overtuiging van [verdachte] geen sprake. Ondanks haar overtuiging dat de stoffen mochten worden teruggepompt naar [A], heeft [verdachte] dit niet eerder gedaan dan nadat zij van de hoogste vertegenwoordigers van het bevoegd gezag - DMB - toestemming had verkregen de stoffen te retourneren.
[verdachte] mocht in redelijkheid op de deugdelijkheid van het standpunt van DMB vertrouwen, temeer nu DMB voor [verdachte] onmiskenbaar als 'schakelpunt' met alle overige betrokken overheidsinstanties fungeerde. De rechtbank heeft dit beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling gehonoreerd en daartoe onder meer overwogen dat de vraag die ter beantwoording voorlag niet was of [verdachte] de vergunningvoorschriften overtrad, maar of zij handelde in strijd met artikel 10.37 Wm. DMB is op grond van artikel 18.2d, tweede lid, aanhef en onder b, Wm belast met de bestuurlijke handhaving van artikel 10.37 Wm. Naar het oordeel van de rechtbank mocht [verdachte] onder deze omstandigheden afgaan op de mededeling van DMB dat het terugpompen van de afvalstoffen niet in strijd zou zijn met artikel 10.37 Wm. De verdediging onderschrijft dit oordeel van de rechtbank.
3.4.3. Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling aan de zijde van [verdachte] slaagt en overweegt hiertoe het volgende.
Uit het feitenoverzicht zoals weergegeven in het vonnis is het volgende gebleken. Toen bij analyse van de monsters uit [C] bleek dat deze niet voldeden aan de parameters voor verwerking, heeft [verdachte] aan [B] laten weten dat zij voor de verwerking van de afvalstoffen een aanzienlijk hogere prijs per ton in rekening moest brengen. [B] heeft [verdachte] bericht niet bereid te zijn de hogere prijs te betalen en heeft [verdachte] verzocht de afvalstoffen weer terug te pompen in [A].
DMB heeft [verdachte] bij faxbericht van 4 juli 2006 medegedeeld dat zij met teruglevering niet akkoord ging op grond van artikel 10.37 Wm. Na overleg tussen DMB en [verdachte] heeft DMB diezelfde avond mondeling aan [verdachte] laten weten dat zij dat standpunt niet langer innam. DMB heeft dit bij brief van 12 juli 2006 aan [verdachte] bevestigd.
Op grond van de geldende jurisprudentie dient als uitgangspunt te gelden dat de houder van een vergunning in het algemeen erop mag vertrouwen dat deze vergunning overeenkomstig de wettelijke voorschriften is verstrekt en dat hij gerechtigd is van deze vergunning gebruik te maken, ook wanneer later zou blijken dat zij in strijd is met een wettelijk voorschrift en derhalve onterecht is gegeven. Dit lijdt slechts uitzondering in een geval waarin de verlening van de vergunning een ook voor de verdachte zo onmiskenbare wetsschending opleverde dat hij had moeten begrijpen dat de vergunning hem niet had mogen worden verleend. Hierbij is overigens vereist dat de verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was.
Het hof is van oordeel dat het beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling aan de zijde van [verdachte] in het licht van deze jurisprudentie moet worden beoordeeld. [verdachte] verkeerde in de veronderstelling dat zij de afvalstoffen niet had geaccepteerd omdat zij deze nog niet had verwerkt. Om die reden is zij in overleg met DMB getreden, zijnde de instantie die op grond van de Wm is belast met de bestuurlijke handhaving van artikel 10.37 Wm. Bij dat overleg was de kernvraag niet of [verdachte] in overeenstemming met haar vergunningen handelde, maar of [verdachte] zich met het retourneren van de afvalstoffen schuldig zou maken aan overtreding van artikel 10.37 Wm. DMB heeft bij die gelegenheid aan [verdachte] medegedeeld dat het haar op grond van artikel 10.37 Wm was toegestaan de afvalstoffen terug te pompen in [A]. DMB is daarmee uitdrukkelijk teruggekomen op haar eerdere andersluidende standpunt.
Naar het oordeel van het hof mocht [verdachte] onder de hiervoor geschetste omstandigheden afgaan op de mededelingen van de met de handhaving van de milieuwetgeving belaste overheidsinstantie dat zij bij teruglevering van de afvalstoffen niet zou handelen in strijd met artikel 10.37 Wm. Dat later is gebleken dat het terugpompen van de afvalstoffen wel een overtreding van artikel 10.37 Wm opleverde, doet daar niet aan af. Anders dan het OM meent, is naar het oordeel van het hof niet gebleken dat de door DMB gegeven toestemming ook voor [verdachte] zo onmiskenbaar gebrekkig was dat zij destijds had moeten begrijpen dat deze niet verleend had mogen worden.
Op grond van het voorgaande onderschrijft het hof het vonnis van de rechtbank ten aanzien van feit 1 in al zijn onderdelen en zal hij dit vonnis in zoverre bevestigen, met aanvulling, dan wel verbetering van gronden als hierboven weergegeven.”