ECLI:NL:PHR:2013:1961

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 oktober 2013
Publicatiedatum
17 december 2013
Zaaknummer
12/00317
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 358 FwArt. 288 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake draagkrachtverweer bij ontnemingsmaatregel

De veroordeelde stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 21 december 2011, waarin het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €4.139,95 en de veroordeelde werd verplicht aan de Staat €4.000,- te betalen.

Het cassatiemiddel richtte zich tegen de afwijzing van het beroep op ontbreken van draagkracht. Het hof had geoordeeld dat niet aannemelijk was geworden dat de veroordeelde niet in staat was het bedrag te voldoen en dat matiging van het ontnemingsbedrag daarom niet aan de orde was. Tevens wees het hof erop dat bij gebrek aan draagkracht in de executiefase daarop kon worden teruggekomen.

De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof niet onjuist was en dat de beslissing begrijpelijk was. Het verweer dat de veroordeelde een verzoek tot schuldsanering had ingediend, was onvoldoende om betalingsonmacht aan te nemen. Bovendien zou toewijzing van dit verweer juridisch onhoudbaar zijn omdat betalingsverplichtingen uit strafvonnissen zijn opgenomen in de afwijzingsgronden van de Faillissementswet. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel blijft onverminderd van kracht.

Conclusie

Nr. 12/00317 P
Mr. Wortel
Zitting 29 oktober 2013
conclusie inzake

[betrokkene]

1.1 Namens de veroordeelde is cassatieberoep ingesteld tegen een op 21 december 2011 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Arnhem, waarbij het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel is geschat op € 4.139,95, en de veroordeelde ter ontneming van dit wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting is opgelegd aan de Staat € 4.000,- te betalen.
1.2 Namens de veroordeelde heeft mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, een middel van cassatie voorgesteld.
2.1 Het middel klaagt over ontoereikend gemotiveerde afwijzing van een beroep op ontbreken van draagkracht.
2.2 De daartoe strekkende overweging van het Hof, luidende:
“Het hof is gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, van oordeel dat thans niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde niet in staat zou zijn aan het hiervoor vermelde bedrag te voldoen. Het hof ziet daarom geen reden om tot matiging van het ontnemingsbedrag over te gaan. Mocht in de toekomst blijken dat er geen of onvoldoende draagkracht aanwezig is, dan zal daarover in de executiefase kunnen worden geoordeeld”
getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 31 mei 2005, ECL:NL:HR:2005: AT2729, NJ 2005/408).
Onbegrijpelijk is de beslissing op het verweer evenmin. Namens de veroordeelde is aangevoerd dat hij een verzoek had ingediend om tot de schuldsanering te worden toegelaten; en dus niet dat op de een of andere wijze reeds was vastgesteld of erkend dat hij in betalingsonmacht is komen te verkeren.
2.3 Overigens moet in gedachten worden gehouden dat toewijzing van dit verzoek, op deze grond, tot een soort juridische kortsluiting zou leiden. Al weer enige tijd geleden zijn betalingsverplichtingen die uit een vonnis van de strafrechter voortvloeien, ook ontnemingsuitspraken, opgenomen bij de zogenaamde ‘niet te goeder trouw-schulden’ van art. 358 Fw Pro, waardoor zij ook zijn gaan behoren tot de (imperatieve) afwijzingsgronden van art. 288 Fw Pro.
Het in dit middel bedoelde draagkrachtverweer kwam dus neer op het verzoek betalingsonmacht aan te nemen in verband met een omstandigheid die zich onmogelijk kan verwezenlijken.
3.1 Het middel leent zich voor toepassing van art. 81 RO Pro.
3.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
wnd A-G