Conclusie
De procesgang
De wettelijke relevante regeling met betrekking tot verjaring
Is het tenlastegelegde feit verjaard?
Bespreking tegenargumenten en nadere motivering
Slotsom
Verjaring van oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid 1971
De rechtszekerheid vergt dat reeds verjaarde feiten niet – en met terugwerkende kracht – alsnog vervolgbaar worden. […] Het voorgestelde overgangsrecht betreft een bestendige lijn die de wetgever hanteert bij wijzigingen van de verjaringsregeling. Zo ook in artikel III van de meergenoemde initiatiefwet, waarbij de verjaringstermijn voor misdrijven waarop levenslange gevangenisstraf is gesteld, werd opgeheven. De verjaringstermijnen van deze misdrijven werden, wat betreft de misdrijven die voor de datum van inwerkingtreding van die wet waren begaan, opgeheven in de gevallen waarin deze termijnen op die datum nog liepen. Hetzelfde overgangsrecht is in het verleden ook gehanteerd bij wetswijzigingen die strekten tot verlenging van de verjaringstermijn voor zedenmisdrijven gepleegd tegen kinderen (Wet van 7 juli 1994, Stb. 529) respectievelijk meisjesbesnijdenis (Wet van 18 juni 2009, Stb. 245).
De Hoge Raad heeft de hierboven beschreven uitgangspunten in een tweetal recente arresten bevestigd. Het betreft de uitspraken van de Hoge Raad van 29 januari 2010, LJN BK1988 (NJ 2010, 231) en 16 februari 2010, LJN BK6357 (NJ 2010, 232, m.nt. Borgers). In de desbetreffende arresten heeft de Hoge Raad overwogen dat bij een wijziging van de regeling van de verjaring «naar hedendaagse rechtsopvatting in strafzaken» geldt dat deze onmiddellijke werking heeft, met dien verstande dat een reeds voltooide verjaring wordt geëerbiedigd. De Hoge Raad heeft daarmee voorlopig helderheid verschaft. Volledigheidshalve wijs ik hier nog op het volgende. Onlangs heeft de advocaat-generaal bij de Hoge Raad Knigge in het kader van een conclusie (LJN BP6878) bij een vordering tot cassatie in het belang der wet ten aanzien van een andere – aanverwante – rechtsvraag, tevens de vraag opgeworpen of het standpunt van de Hoge Raad ter zake de verjaringsregeling houdbaar is in het licht van recente jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). De advocaat-generaal verwijst naar de uitspraak van het EHRM in de zaak Scoppola tegen Italië (EHRM 17 september 2009, LJN BK6009) en leidt daaruit af dat niet uitgesloten geacht kan worden dat het standpunt van de Hoge Raad door het EHRM in strijd wordt geoordeeld met artikel 7 EVRM Pro. Voor een definitief oordeel daarover dient de ontwikkeling van de jurisprudentie van het EHRM evenwel te worden afgewacht. Op 12 juli 2011 heeft de Hoge Raad arrest gewezen in de zaak waarop de vordering in het belang der wet betrekking had. De Hoge Raad heeft in deze zaak geen aanleiding gezien tot heroverweging van de hierboven vermelde jurisprudentie ter zake de verjaringsregeling.’ [21]
Dat de wettelijke verlenging of schorsing van de verjaringstermijn derhalve niet voor gevolg heeft dat de straf die van toepassing is op het ogenblik waarop het misdrijf is gepleegd, verzwaard wordt;
Dat dergelijke wetten aldus geen zwaardere straf bepalen dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing waren’. [31]