Op 8 mei 2008 heeft verdachte samen met een medeverdachte het slachtoffer meegenomen van Leiden naar een industrieterrein in Amsterdam-Noord, waar het slachtoffer werd bedreigd en in de borst werd geschoten. Verdachte en medeverdachte reden daarna weg en lieten het slachtoffer gewond achter. Verdachte werd door het hof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag, diefstal van een auto en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.
Verdachte stelde in cassatie onder meer dat de verklaringen van het slachtoffer onbetrouwbaar waren en dat het medeplegen niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid. De Hoge Raad verwierp deze klachten, stellende dat het hof het bewijs zorgvuldig had gewogen en de nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte voldoende had vastgesteld. Het hof achtte medeplegen bewezen omdat verdachte aanwezig was, niet had geprobeerd zich te distantiëren en actief had samengewerkt.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden en besloot daarom ambtshalve de opgelegde gevangenisstraf te verminderen naar een gebruikelijke maatstaf. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. De vordering van de benadeelde partij werd eveneens toegewezen omdat het verband met de bewezenverklaarde feiten was vastgesteld.
Deze uitspraak bevestigt de leerstukken omtrent medeplegen en de toetsing van bewijswaardering door het hof, evenals het belang van de redelijke termijn in strafprocedures.