Nr. 12/00851 Hs
Mr. Fokkens
Zitting 17 september 2013
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft aanvrager bij onherroepelijke uitspraak van 21 februari 2003 wegens 1. "diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak", 2. "diefstal", 3. "poging tot: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" en 4. en 5. telkens opleverende: "diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander als in het arrest vermeld. Tevens heeft het Hof de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. Tegen deze uitspraak is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 2 maart 2004 het beroep verworpen.
2. De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. A.J. Sol, advocaat te Terneuzen. Ook in een samenhangende zaak tegen dezelfde verdachte heeft mr. A.J. Sol een herzieningsaanvrage ingediend (zaaknummer 00849/12 HS).
3. De aanvrage steunt op de stelling dat het onderzoek van de zaak niet zou hebben geleid tot de veroordeling van aanvrager indien het Hof bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van in deze zaak uitgevoerde geuridentificatieproeven
.
4. De Hoge Raad heeft verschillende keren beslist op vergelijkbare herzieningsaanvragen.De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dit brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat daarom moet worden aangenomen dat het resultaat van die geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van een tenlastegelegd feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat de feitenrechter zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager ter zake zou hebben vrijgesproken.
5. In de samenhangende zaak is voor het bewijs van de stelling dat er sprake is geweest van “besmette” geuridentificatieproeven bij de aanvrage een brief gevoegd van het Arrondissementsparket te Zutphen van 23 maart 2007, inhoudende – kort gezegd – dat in de desbetreffende zaak gebruik is gemaakt van een geuridentificatieproef die is uitgevoerd door de gezamenlijke oefengroep speurhondengeleiders van de politiekorpsen in Noord- en Oost Nederland en dat uit intern onderzoek is gebleken dat bij de geuridentificatieproeven die in de periode september 1997 tot en met maart 2006 zijn afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland, regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt. Daardoor zouden de resultaten ervan onvoldoende betrouwbaar zijn om in een strafzaak als bewijs te kunnen gebruiken. Verder staat in die brief dat ook in aanvragers zaak een dergelijke proef heeft plaatsgevonden en dat derhalve een herzieningsprocedure mogelijk is. In de onderhavige zaak is een dergelijke brief niet bij de aanvrage gevoegd. Derhalve rijst de vraag of ook ten aanzien van de onderhavige aanvrage ervan kan worden uitgegaan dat er sprake is geweest van een “besmette” geuridentificatieproef.
6. In de onderhavige zaak zijn de geuridentificatieproeven uitgevoerd door de interregionale speurhondendienst (regiopolitie/ressort Arnhem) op 11 juni 2002 (feit 1 en 2), op 12 juni 2002 (feit 3) en op 25 juni 2002 (feit 5). De proeven werden steeds uitgevoerd door [verbalisant 1], brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie Twente en [verbalisant 2], speurhondenbegeleider, tevens brigadier van politie, werkzaam bij de technische recherche van de regiopolitie IJsselland. Deze personen zijn ook betrokken geweest bij de geuridentificatieproeven in de samenhangende zaak. Voorts hebben deze personen tevens de geuridentificatieproeven uitgevoerd in de zaken HR 10 juni 2008, LJN: BD3427, HR 27 januari 2009, LJN: BH1013en HR 1 september 2009, LJN: BJ6398 in welke zaken steeds een brief is gestuurd door het arrondissementsparket inhoudende – kort gezegd – dat er in die zaken sprake is geweest van een mogelijk “besmette” geuridentificatieproef. Ik ben daarom van mening dat kan worden aangenomen dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] behoorden tot de geurhondendienst ten aanzien waarvan is gebleken dat zij in de periode september 1997 tot en met maart 2006 regelmatig niet conform het vastgestelde protocol hebben gewerkt. Derhalve kan mijns inziens worden aangenomen dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van “besmette” geuridentificatieproeven.
7. Ten laste van aanvrager is bij het vonnis waarvan herziening wordt verzocht bewezenverklaard dat:
“1.
hij in de periode van 10 maart 2002 tot en met 11 maart 2002 in de gemeente Hardenberg (Scholtensdijk) met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kerkgebouw, gelegen aan de Scholtensdijk heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan de Nederlandse Hervormde Kerk waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak.
2.
hij in de periode van 25 april 2002 tot en met 26 april 2002 te Daarle, gemeente Hellendoorn, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een naast een kerkgebouw gelegen schuur aan de [a-straat 1] heeft weggenomen een fiets toebehorende aan [betrokkene 1].
3.
hij in de periode van 9 mei 2002 tot en met 10 mei 2002 in de gemeente Wijhe-Olst, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kerkgebouw weg te nemen geld en/of goederen, in elk geval datgene wat van zijn gading zou blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan de Nederlands Hervormde Kerk "Nicolaas", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot dat kerkgebouw te verschaffen door middel van braak, door het inslaan/vernielen van een ruit, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4.
hij in de periode van 25 december 2001 tot en met 28 december 2001 te Ruinen, gemeente De Wolden, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kerkgebouw heeft weggenomen enig geldbedrag toebehorende aan de Gereformeerde Kerk Ruinerwold-Koekange, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
5.
hij in de periode van 26 maart 2002 tot en met 27 maart 2002 in de gemeente Hardenberg (Hessenweg) met het oogmerk van 'wederrechtelijke toeëigening uit een kerkgebouw heeft weggenomen een geldbedrag van 500 euro, althans enig geldbedrag toebehorende aan de Gereformeerde Kerk, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.”
8. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1
Voor zover in de hierna opgenomen schriftelijke bewijsmiddelen wordt verwezen naar hetproces-verbaal, wordt hiermee verwezen naar het door[verbalisant 3]
, brigadier van politie,in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal, nummer PL04MI/02-502817, gesloten enondertekend te Hardenberg op 4 juli 2002, met bijlagen.
IN HET BIJZONDER TEN AANZIEN VAN FEIT 1