Conclusie
Feiten en procesverloop
dat partijen elkaar over en weer volledige kwijting geven ten aanzien van de verplichtingen aangegaan bij vorenbedoelde overeenkomst (de kavelruilovereenkomst ‘Over Betuwe-Oost’
) en in deze akte geconstateerd”.In de toedelingsakte onder het hoofd ‘Verrekeningen’ en in de daarbij behorende, door de notaris opgestelde afrekeningen is wel (een gedeelte van) de aan [verweerster 2] toekomende schadevergoeding (€ 102.100,54) vermeld maar abusievelijk niet de door [verweerster 2] verschuldigde koopsom voor de compensatiegrond
( [2] ). Die koopsom is door [verweerster 2] niet daadwerkelijk aan ProRail uitbetaald, terwijl ProRail het (netto-)bedrag van € 276.710,29 ter vergoeding van schade wel geheel daadwerkelijk aan [verweerster 2] heeft voldaan.
( [3] )ProRail beroept zich daarbij op wederzijdse dwaling ten aanzien van de in die akte aan [verweerster 2] verleende kwijting.
2.Bespreking van de cassatieklachten
“In die akte –[toedelingsakte] –
is onder meer ten aanzien van [verweerster 2] bepaald dat partijen elkaar over en weer volledig kwijting geven ten aanzien van de verplichtingen aangegaan bij de kavelruilovereenkomst “Over Betuwe-Oost” en in de akte geconstateerd. Tussen partijen staat vast dat partijen daarmee beoogd hebben elkaar over en weer kwijting te verlenen, te weten aan de zijde van ProRail voor de levering van de cultuurgrond en de betaling van de schadevergoeding en aan de zijde van [verweerders] voor de betaling van de koopsom voor de cultuurgrond.”Uit hetgeen het hof vervolgens in de rov. 3.6 t/m 3.9 overweegt en de conclusie die het hof daaraan in de eerste volzin van rov. 3.10 verbindt, te weten:
“ProRail daarom geen nakoming meer kan vorderen”,valt af te leiden dat het hof onder verlenen van kwijting in de toedelingsakte verstaat het doen door partijen aan elkaar zonder nader voorbehoud van de toezegging dat zij elkaar niet meer zullen aanspreken ter zake van verplichtingen die in de kavelruilovereenkomst zijn aangegaan en in de toedelingsakte zijn geconstateerd, waaronder de verplichting aan de zijde van [verweerders] tot betaling van de koopsom voor de cultuurgrond. Het gaat dus niet om een louter constateren dat een verplichting is nagekomen.
( [4] )( [5] )Deze uitleg van het hof van de kwijtingsbepaling acht ProRail onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in het licht van wat zij heeft gesteld omtrent de bedoeling van partijen bij en de ratio van die bepaling. Die stellingen van ProRail houden in dat aan de kwijting – de toezegging elkaar niet meer aan te spreken – wel een voorbehoud was verbonden, te weten het voorbehoud dat de betrokken verplichtingen zijn nagekomen.
subonderdeel 2.1.1daarvan wordt gesteld dat het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 3:13 BW Pro geen toepassing vindt omdat er in het onderhavige geval geen sprake is van een bevoegdheid in de zin van dat artikel. Dat wordt in
subonderdeel 2.1.2ook het geval geacht, indien het hof bij de eerste grond de opvatting zou zijn toegedaan dat in casu zou opgaan dat, zoals in lid 3 van artikel 3:13 BW Pro is bepaald, uit de aard van de bevoegdheid volgt dat zij niet kan worden misbruikt.
( [6] )Van de aanwezigheid van een bevoegdheid met een dergelijke aard valt niet uit te gaan, niet in het algemeen in het geval van een beroep op een contractuele bepaling bij wege van verweer en ook niet bij het recht dat [verweerders] aan de kwijtingsbepaling jegens ProRail ontlenen. Ook bij een dergelijk recht kunnen belangen van de wederpartij of derden spelen, waarmee de rechthebbende rekening heeft te houden. Daardoor is niet bij voorbaat uit te sluiten dat het inroepen van dat recht niet mogelijk moet worden geacht wegens misbruik.
( [7] )
subonderdeel 2.2.1de aantekening dat ProRail haar beroep op misbruik van (de aan de kwijting te ontlenen) bevoegdheid heeft uitgewerkt vanuit twee in artikel 3:13 lid 2 genoemde Pro categorieën van misbruik van bevoegdheid, te weten: (a) de uitoefening van de bevoegdheid geschiedt met een ander doel dan waarvoor deze is verleend en (b) [verweerders] hadden in redelijkheid niet tot de uitoefening van de bevoegdheid kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het bij de uitoefening van de bevoegdheid betrokken belang en het door die uitoefening geschade belang. Dan volgt de klacht dat, indien het hof bij de beoordeling van het beroep van ProRail op misbruik van bevoegdheid een andere maatstaf heeft gehanteerd, het hof daarmee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
( [8] )Dit betekent dat, wanneer de rechter niet die categorieën aanhoudt, daaruit niet reeds volgt dat de rechter blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de figuur van misbruik van bevoegdheid. Verder wordt in het subonderdeel niet uit de doeken gedaan, waarin de onjuistheid van de opvatting bij het hof zou zijn gelegen.
subonderdeel 2.4.1dat het hof niet gerespondeerd heeft op het betoog van ProRail dat [verweerders] de verleende kwijting voor een ander doel inzet dan waarvoor de kwijting is verleend. Zoals hieronder in 2.19 nog zal worden toegelicht, is overigens een expliciete respons ten aanzien van dit laatste punt niet geboden.
subonderdelen 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3zijn enige klachten opgenomen, die gemeenschappelijk hebben dat zij telkens op een verondersteld oordeel van het hof rusten. Bij het eerste subonderdeel is dat het oordeel dat partijen voorafgaande aan de toedelingsakte nog geen overeenstemming over de door [verweerders] verschuldigde koopprijs voor de compensatiegronden zouden hebben bereikt. Bij het tweede subonderdeel wordt verondersteld dat het hof geoordeeld heeft dat [verweerders] vóór het opmaken van de toedelingsakte er niet van op de hoogte zijn geweest dat zij een koopsom aan ProRail verschuldigd zijn geweest. Het veronderstelde oordeel bij subonderdeel 2.3.3 is dat [verweerders] zich bij de verlening van de kwijting zich niet ervan bewust zijn geweest dat die kwijting ook op de koopsom betrekking had. Voor alle drie veronderstelde oordelen geldt dat zij niet in het bestreden arrest voorkomen. Het hof gaat, voor zover hier van belang, ervan uit (a) dat (de rechtsvoorganger van) ProRail medio 2002 aan [verweerster 2] 5.48 ha. cultuurgrond heeft verkocht voor een bedrag van € 248.671,55 (rov. 3.1), (b) dat beide partijen er wel van zijn uitgegaan dat de kwijting in de toedelingsakte ook betrekking had op de betaling van de koopsom en zij beiden ten tijde van ondertekening van de toedelingsakte de voorstelling hebben gehad dat de koopprijs was meegenomen in de in de toedelingsakte vermelde verrekeningen en daarmee was voldaan, en (c) dat van de onjuistheid van die voorstelling pas later – in 2005 – is gebleken (rov. 3.5 en 3.6). De klachten in de subonderdelen 2.3.1 t/m 2.3.3 missen dan ook doel wegens gemis aan feitelijke grondslag.
subonderdelen 2.2.3 en 2.2.4klachten over onvoldoende motivering van het oordeel van het hof tot verwerping van dat beroep in het licht van die stellingen.
subonderdeel 2.4.2wordt gesteld dat ProRail het beroep van [verweerders] op de hen in de toedelingsakte verleende kwijting ook heeft bestreden op de voet dat het beroep naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW Pro) en dat het hof heeft nagelaten hieraan aandacht te schenken. Voor zover dit laatste het gevolg is van de opvatting dat bij gebreke van misbruik van bevoegdheid er geen ruimte is voor een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, geeft het hof daarmee, zo wordt betoogd, blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Is het hof niet van die opvatting uitgegaan, dan heeft het hof zijn uitspraak onvoldoende gemotiveerd, want dan heeft het niet duidelijk gemaakt waarom het beroep van ProRail op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid niet opgaat.
“Uit hetgeen door ProRail in eerste aanleg en in de onderhavige memorie van antwoord naar voren is gebracht, kan worden geconcludeerd dat [verweerders] in deze omstandigheden van het geval zich in strijd met de goede trouw gedragen door ProRail aan de kwijtingsbepaling in de Akte te houden, terwijl zij ten tijde van het passeren van de Akte op de hoogte waren – of dit althans behoorde te weten - dat hierin niet de Koopsom was opgenomen terwijl dit tussen partijen wel was overgekomen.”Maar tijdens de pleidooizitting bij het hof wordt door de raadsman van ProRail opgemerkt (onder 2):
“Gezien de grieven die [verweerders] tegen dat vonnis heeft opgeworpen staat in dit hoger beroep eigenlijk maar één echte inhoudelijke vraag centraal: maakt [verweerders] misbruik van bevoegdheid door te stellen dat hij de koopsom niet meer hoeft te betalen omdat ProRail hem op grond van de akte van toedeling finale kwijting zou hebben verleend?”Aan de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid wordt verder geen aandacht geschonken. Aan deze opstelling in appel van Prorail heeft het hof de slotsom mogen verbinden dat ook wat ProRail betreft de rechtsstrijd tussen partijen zich alleen richtte op de vraag of het beroep van [verweerders] op de kwijting misbruik van bevoegdheid oplevert. Dit betekent dat het hof niet ten onrechte geen aandacht aan de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft geschonken en dat het hof ook geen blijk heeft gegeven van de beweerde verkeerde rechtsopvatting. De klachten in subonderdeel 2.4.2 slagen derhalve niet.
onderdelen 3.3, 3.4 en 3.5ligt ten grondslag het betoog dat ProRail heeft gesteld, dat de vordering van [verweerster 2] inzake de met ProRail overeengekomen schadevergoeding krachtens een daartoe gemaakte afspraak en daarmee overeenkomstig het in artikel 6:127 lid 1 BW Pro bepaalde is verrekend met de vordering van ProRail inzake de koopsom, maar dat vervolgens feitelijk niet overeenkomstig die verrekening is gehandeld. De koopsom is abusievelijk niet in de toedelingsakte en de nota van afrekening opgenomen en er is door ProRail toch een bedrag van € 276.710,29 aan [verweerster 2] uitbetaald in plaats van een bedrag van € 28.038,74.