Conclusie
eerste middelklaagt over het oordeel van het Hof dat de tenlastelegging voor wat betreft het onder 2 tenlastegelegde feit na wijziging nog steeds hetzelfde feit inhoudt als bedoeld in art. 68 Sr Pro.
- een of meer aangifte(n) voor de Inkomstenbelasting over de/het tijdvak(ken) van 2000 en/of 2001 en/of 2002 niet heeft gedaan en/of heeft doen doen aan de Inspecteur der belastingen van de eenheid Belastingdienst/Ondernemingen te Nijmegen (bijlage 87), terwijl dat feit (telkens) ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven,
De officier van justitie heeft vervolgens in de tenlastelegging aan verdachte verweten dat dat dient te worden beschouwd als het doen van een onjuiste aangifte. Wat de advocaat-generaal nu vraagt is een wijziging van de tenlastelegging in die zin dat het moet worden beschouwd als het niet doen van een aangifte. Mede naar aanleiding van de beslissing van de rechtbank kan er een dispuut ontstaan over de vraag of het toezenden aan de belastingdienst van een niet ingevuld aangiftebiljet met een begeleidend schrijven moet worden gezien als het niet doen van een aangifte of het doen van een valse aangifte, respectievelijk strafbaar gesteld in artikel 69 lid 1 AWR Pro en artikel 69 lid 2 AWR Pro. Dat is een interpretatievraag die aan het hof kan worden voorgelegd, maar die pas kan worden beantwoord in het kader van de beantwoording van de materiële vragen van artikel 350 Wetboek Pro van Strafvordering. In ieder geval betreft het naar het oordeel van het hof wel hetzelfde feitencomplex, namelijk het feitelijk gebeuren van het terugsturen van een niet ingevulde aangifte met een begeleidend schrijven. De vordering wijziging kan worden toegelaten.”
Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.
(A) De juridische aard van de feiten.
Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft
(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en
(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte.
Indien de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.
Uit de bewoordingen van het begrip "hetzelfde feit" vloeit reeds voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van "hetzelfde feit" in de zin van art. 68 Sr Pro. (Vgl. HR 1 februari 2011, LJN BM9102, NJ 2011/394).”
tweede middelhoudt in dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed althans dat is verzuimd het passeren van een ter zake van het uitnodigen van het doen van aangifte gevoerd verweer met redenen te omkleden.
2002bewezen kan worden dat aan verdachte een aangifte voor de inkomstenbelasting is uitgereikt. De ambtenaar verklaart over 2000 en 2001, als zijnde uitgereikt aan [betrokkene 2] en over duplicaten over 2003, 2004 en 2005. Uit de stukken wordt niet duidelijk dat 2002 is uitgereikt aan verdachte. De Inspecteur stelt van wel maar verduidelijkt niet aan welk adres de aangifte is gezonden en evenmin of de aangifte verdachte heeft bereikt. Voor het aannemen van de verplichting om aangifte te doen, zal uw Hof moeten vaststellen dat de aangifte over 2002 verdachte heeft bereikt.”