Het gerechtshof Amsterdam veroordeelde verdachte voor poging tot doodslag en verboden wapenbezit tot vier jaar en zes maanden gevangenisstraf. Verdachte stelde in cassatie dat de verklaringen van de aangever onbetrouwbaar zijn en niet als bewijs kunnen dienen, mede omdat deze op cruciale punten tegenstrijdig zijn en geen ander bewijs beschikbaar is.
Het hof oordeelde dat ondanks wisselende verklaringen de kern van de aangever consistent is: verdachte schoot op hem en veroorzaakte een worsteling waarbij DNA-sporen op het wapen werden aangetroffen. Het hof verwierp het verweer dat een derde onbekende persoon de schutter zou zijn, omdat de verklaringen van de aangever niet ondubbelzinnig die derde persoon als schutter aanwijzen.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof de verklaringen terecht heeft gewogen en dat het DNA-bewijs de betrouwbaarheid ondersteunt. Daarnaast erkent de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, wat leidt tot strafvermindering. De overige klachten van verdachte worden verworpen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest voor zover het de straf betreft en vermindert de straf, waarbij het beroep voor het overige wordt afgewezen.