De verdachte werd door het Gerechtshof ’s-Gravenhage veroordeeld wegens meerdere Opiumwetdelicten en wederspannigheid, met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf. In hoger beroep werd onder meer het verweer gevoerd dat de aanhouding en fouillering onrechtmatig waren, maar dit werd door het hof verworpen op grond van een redelijk vermoeden van schuld.
De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht aannam dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond op basis van observaties en eerdere feiten rond het pand waar verdachte werd aangehouden. Dit oordeel is een feitelijke waardering die in cassatie niet verder wordt getoetst.
Echter, de Hoge Raad stelde vast dat het hof bij de strafoplegging een eerdere onherroepelijke veroordeling van verdachte had meegewogen, terwijl het uittreksel Justitiële Documentatie waarop het hof zich baseerde geen steun bood voor die eerdere veroordeling. De pleegdata van de bewezenverklaarde feiten maken het oordeel van het hof onbegrijpelijk.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het onderdeel van het arrest dat de strafoplegging betreft en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe strafoplegging. Het overige beroep wordt verworpen.