Conclusie
[verdachte]
eerste middel, waarin wordt geklaagd over schending van art. 6 EVRM Pro doordat het Hof niet heeft gemotiveerd waarom het de in eerste aanleg gedane uitspraak ten aanzien van de bewezenverklaring heeft bevestigd, faalt omdat die beslissing, op zichzelf beschouwd, geen nadere of afzonderlijke motivering behoeft.
tweede middelfaalt omdat daarin de bewezenverklaring ter zake van het onder 1, primair tenlastegelegde wordt bestreden met louter stellingen van feitelijke aard, die in cassatie geen voorwerp van onderzoek kunnen zijn.
derde middelfaalt om dezelfde reden en voorts omdat het gewag maakt van een (betrouwbaarheids-) verweer waarvan uit de op de voet van art. 434 Sv Pro aan de Hoge Raad toegezonden stukken niet blijkt dat het ter terechtzitting in hoger beroep is gevoerd.
vierde middelfaalt omdat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat aldaar niet méér is aangevoerd, met verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de verdachte ter zake van het onder 3 tenlastegelegde van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen op de grond “De verdachte zou niet terug kunnen keren naar Algerije”. Aldus is niet het met concrete feiten en omstandigheden onderbouwde verweer gevoerd dat de verdachte al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om Nederland te verlaten. Tot een nadere motivering van zijn oordeel dat de beslissingen van de eerste rechter kunnen worden bevestigd, ook wat betreft de strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde feit, was het Hof daarom niet gehouden.