ECLI:NL:PHR:2013:2250

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2013
Publicatiedatum
23 december 2013
Zaaknummer
12/03413
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 197 Sr (oud)Art. 81 ROArt. 434 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt strafoplegging wegens onvolledige terugkeerprocedure in hoger beroep

De verdachte werd door het hof veroordeeld voor diefstal, poging tot diefstal en illegaal verblijf in Nederland, met een gevangenisstraf van drie maanden. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof, waarbij met name de strafoplegging werd bestreden.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet had vastgesteld of de stappen van de terugkeerprocedure conform de terugkeerrichtlijn waren doorlopen, wat vereist is voor een rechtmatige strafoplegging. Daarom vernietigde de Hoge Raad het deel van het arrest dat betrekking had op de strafoplegging.

Andere middelen van cassatie, waaronder klachten over de motivering van de bewezenverklaring en het ontbreken van een concreet verweer over terugkeer naar Algerije, werden verworpen. De Hoge Raad stelde dat het hof niet verplicht was om de strafbaarheid van het bewezen verklaarde feit nader te motiveren wanneer dit reeds in eerste aanleg was vastgesteld.

De conclusie van de procureur-generaal was gericht op verwerping van het cassatieberoep, maar de Hoge Raad volgde het standpunt dat de strafoplegging moest worden vernietigd wegens het ontbreken van een juiste terugkeerprocedure.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wat betreft de strafoplegging wegens het niet doorlopen van de terugkeerprocedure.

Conclusie

Nr. 12/03413
Mr. Wortel
Zitting 5 november 2013
conclusie inzake

[verdachte]

1.1 Namens de verdachte is cassatieberoep ingesteld tegen een op 7 februari 2012 uitgesproken arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarbij behoudens de strafoplegging en de motivering daarvan is bevestigd een vonnis van de politierechter in de Rechtbank Amsterdam, waarbij is bewezenverklaard dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan feiten die zijn gekwalificeerd als (1) “diefstal”, (2) “poging tot diefstal” en (3) “als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard”. Ter zake van die feiten heeft het Hof de verdachte drie maanden gevangenisstraf opgelegd.
1.2 Door middel van een als “cassatierekest” aangeduide cassatieschriftuur heeft mr. F. Verkerk, advocaat te Amsterdam, overigens zonder in de schriftuur met zoveel woorden te vermelden dat de verdachte haar tot het indienen daarvan bepaaldelijk heeft gemachtigd (ook in de aanbiedingsbrief is dat niet te vinden), middelen van cassatie voorgesteld.
2. Het
eerste middel, waarin wordt geklaagd over schending van art. 6 EVRM Pro doordat het Hof niet heeft gemotiveerd waarom het de in eerste aanleg gedane uitspraak ten aanzien van de bewezenverklaring heeft bevestigd, faalt omdat die beslissing, op zichzelf beschouwd, geen nadere of afzonderlijke motivering behoeft.
3. Het
tweede middelfaalt omdat daarin de bewezenverklaring ter zake van het onder 1, primair tenlastegelegde wordt bestreden met louter stellingen van feitelijke aard, die in cassatie geen voorwerp van onderzoek kunnen zijn.
4. Het
derde middelfaalt om dezelfde reden en voorts omdat het gewag maakt van een (betrouwbaarheids-) verweer waarvan uit de op de voet van art. 434 Sv Pro aan de Hoge Raad toegezonden stukken niet blijkt dat het ter terechtzitting in hoger beroep is gevoerd.
5. Het
vierde middelfaalt omdat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat aldaar niet méér is aangevoerd, met verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de verdachte ter zake van het onder 3 tenlastegelegde van alle rechtsvervolging moet worden ontslagen op de grond “De verdachte zou niet terug kunnen keren naar Algerije”. Aldus is niet het met concrete feiten en omstandigheden onderbouwde verweer gevoerd dat de verdachte al het redelijkerwijs mogelijke heeft gedaan om Nederland te verlaten. Tot een nadere motivering van zijn oordeel dat de beslissingen van de eerste rechter kunnen worden bevestigd, ook wat betreft de strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde feit, was het Hof daarom niet gehouden.
6.1 De middelen lenen zich voor toepassing van art. 81 RO Pro.
6.2 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
wnd A-G