Conclusie
[verdachte]
eerste middelklaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het de verdachte is die ongewenst is verklaard en evenmin dat de verdachte ongewenst is verklaard op grond van art. 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
tweede middelklaagt dat het Hof bewezen heeft verklaard dat de ongewenstverklaring van de verdachte op een wettelijk voorschrift berust, terwijl de ongewenstverklaring met ingang van 25 december 2010 in strijd moet worden geacht met art. 3, aanhef en onder 6, en art. 11, tweede lid, van Richtlijn 2008/115/EU (hierna: de Terugkeerrichtlijn of ook wel de richtlijn), aan welke bepalingen rechtstreekse werking toekomt zodat daarmee onverenigbare nationale wettelijke voorschriften buiten toepassing moeten blijven.
derde middelklaagt over schending van (onder meer) art. 8 Terugkeerrichtlijn Pro doordat het Hof de verdachte wegens diens illegale verblijf in Nederland een gevangenisstraf heeft opgelegd “terwijl het hof heeft aangenomen dat opnieuw zal worden onderzocht of rekwirant na zijn detentie zal worden uitgezet, en dus als reële mogelijkheid heeft aanvaard dat op rekwirant, na zijn strafrechtelijke detentie, met het oog op zijn uitzetting opnieuw de maatregel van vreemdelingenbewaring en de overige in artikel 8 Terugkeerrichtlijn Pro bedoelde dwangmaatregelen zullen worden toegepast, in welk geval toch bezwaarlijk kan worden geoordeeld dat ten aanzien van rekwirant de maximale duur van de vreemdelingenbewaring verstreken is”.