2.3 In de bestreden uitspraak is overwogen:
“Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag dan wel, impliciet subsidiair, aan een poging tot zware mishandeling. Verdachte zou dit hebben gedaan door een stormram vanaf het balkon van zijn woning in de richting van een verbalisant te gooien, die zich - de tenlastelegging volgend - onder dat balkon bevond.
Voornoemd incident vond plaats binnen de navolgende context. Verbalisanten, aangever [verbalisant 1] en zijn collega [verbalisant 2], begaven zich in de ochtend van 14 juni 2010 naar de woning van verdachte. Zij waren belast met de tenuitvoerlegging van opgelegde straffen. Verdachte zou zijn verplichtingen terzake van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet zijn nagekomen en als gevolg daarvan lijfsdwang moeten ondergaan. Verbalisanten waren bij hun bezoek aan de woning van verdachte in het bezit van een zogeheten stormram. Op de begane grond bevond zich de centrale toegangsdeur. De woning van verdachte was, evenals de toegangsdeur tot die woning, gelegen aan een galerij op de eerste etage. Op het kloppen, bonzen en roepen van verbalisanten - een bel ontbrak bij de voordeur van de woning van verdachte - werd niet gereageerd. Wel kon er enige beweging in de woning worden waargenomen. Om te voorkomen dat verdachte via het balkon aan de andere zijde de woning zou ontvluchten, begaven verbalisanten zich naar beneden, met achterlating van de stormram op de galerij. Toen verbalisant [verbalisant 1] buiten stond - naar eigen zeggen in de nabijheid van de centrale toegangsdeur - zag hij verdachte op het balkon aan de achterzijde van de woning staan. Verdachte gaf hem te kennen dat hij niet bereid was mee te gaan. [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte vervolgens de stormram pakte en deze in de richting van zijn, [verbalisant 1], hoofd gooide.
Verdachte heeft erkend dat hij de stormram vanaf zijn balkon naar beneden heeft gegooid. Hij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat [verbalisant 1] (veel) verder weg stond dan deze zegt te hebben gestaan en dat hij, verdachte, de stormram nog verder heeft gegooid, derhalve voorbij [verbalisant 1].
Bij de beoordeling van hetgeen verdachte wordt verweten overweegt het hof het volgende. De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer bepleit - zakelijk weergegeven - dat de verdachte behoort te worden vrijgesproken van het hem primair en subsidiair ten laste gelegde, nu zijn cliënt steeds heeft ontkend de bedoeling te hebben gehad de verbalisant met de stormram te raken, terwijl de kans dat dit door het handelen van verdachte wel zou gebeuren zo gering te achten was, dat van opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel geen sprake kon zijn.
Het hof stelt voorop dat tenminste voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood, dan wel zwaar lichamelijk letsel - aanwezig dient te zijn om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Hiervan is sprake indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep kan worden afgeleid, voor zover hier van belang, dat verdachte, zoals door hem erkend, de stormram vanaf zijn balkon naar beneden heeft gegooid. Hij was boos en in paniek en wilde vluchten. In dat kader wilde hij "van de stormram af'. Verdachte heeft gezien, zo heeft hij ter terechtzitting van de rechtbank op 2 december 2010 aangegeven, dat één van de verbalisanten onder het balkon op straat stond. Verdachte gooide de stormram, naar eigen zeggen, voorbij verbalisant [verbalisant 1], die, naar zeggen van de verdachte, zich op een afstand van 6 tot 8 meter van het balkon, op straat, bevond. Het hof is van oordeel dat wanneer een voorwerp van deze vorm (stormram), met dit gewicht (circa 15 kilogram), vanaf een balkon, over enige afstand, wordt weggegooid, terwijl de persoon die het voorwerp gooit in een gemoedstoestand als die van verdachte verkeert, het zeer onwaarschijnlijk is dat de worp een zodanig gecontroleerde actie is dat nauwkeurig te bepalen is waar het betreffende voorwerp op de grond zal neerkomen. Nu zich in casu in de werprichting van de stormram een persoon bevond, zijnde verbalisant [verbalisant 1], terwijl verdachte dit voorwerp met grote kracht in de betreffende richting heeft gegooid (de stormram had immers genoeg vaart om in ieder geval tot aan de verbalisant te kunnen komen), zijn de gedragingen van verdachte naar het oordeel van het hof als zeer gevaarzettend aan te merken. De kans dat de verbalisant, onder de gegeven omstandigheden, door het voorwerp zou zijn geraakt acht het hof aanmerkelijk. Ook acht het hof de kans aanmerkelijk dat wanneer de verbalisant niet in staat zou zijn geweest de stormram te ontwijken en deze hem zodanig zou hebben geraakt, bijvoorbeeld op zijn hoofd, dat dit zijn dood ten gevolge zou hebben gehad.
Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de verdachte geen beroep toekomt op de (eventuele) mogelijkheid van de verbalisant om zich tijdig te verwijderen van de plaats waar de stormram vermoedelijk neer zou komen. Onder de gegeven omstandigheden kan de tijd die tussen het gooien en het neerkomen van de stormram is verstreken niet zodanig zijn dat dit de aanmerkelijkheid van de kans op levensbedreigend letsel beïnvloedt.
Het hof is dan ook van oordeel dat de verdachte, door te handelen zoals hij gedaan heeft, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij verbalisant [verbalisant 1] met de stormram zou raken en dat deze daarbij om het leven zou komen. Dit levert voorwaardelijk opzet op de dood van verbalisant [verbalisant 1] op, zodat het verweer moet worden verworpen.”