Conclusie
4.Het eerste middel
5.Het tweede middel
Motivering van de op te leggen maatregel
Parket bij de Hoge Raad
Het Gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft verdachte veroordeeld wegens poging tot doodslag en hem ter beschikking gesteld met dwangverpleging. Tevens werd de vordering van de benadeelde tot een schadevergoeding toegewezen. Tegen dit arrest stelde verdachte cassatieberoep in met drie middelen.
Het eerste middel betrof de bewijsbeslissing omtrent voorwaardelijk opzet, waarbij verdachte aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens leed. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof voldoende gemotiveerd had dat deze stoornis niet zodanig was dat verdachte geen inzicht had in zijn gedragingen, waardoor het middel faalde.
Het tweede middel richtte zich op de motivering van de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Het Hof had de ernst van het feit, de impact op het slachtoffer en de maatschappij, en het ontbreken van spijt of inzicht bij verdachte meegewogen. Ondanks afwijking van gedragsdeskundigen achtte het Hof de maatregel passend om recidive te voorkomen. De Hoge Raad vond deze belangenafweging begrijpelijk en verwierp ook dit middel.
Het derde middel betrof de afwijzing van een verzoek tot aanhouding van de zaak voor een reclasseringsrapport. De Hoge Raad vond de motivering van het Hof toereikend en verwierp ook dit middel.
Ten slotte constateerde de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, maar zag geen aanleiding tot ambtshalve vernietiging. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging blijft gehandhaafd.