Conclusie
“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod”, 2.
“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 4.
“medeplegen van witwassen”en 5.
“handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof inbeslaggenomen bankbiljetten ter waarde van € 54.875,- verbeurd verklaard en de onttrekking aan het verkeer en de teruggave aan de verdachte gelast van in het arrest vermelde voorwerpen.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
B8.2 ten aanzien van het geldbedrag van € 8.230,--
B8.3 ten aanzien van het geldbedrag van € 54.875,--
eerste middelbehelst de klacht dat het onder 5 bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat de verdachte een pistool Astra voorhanden heeft gehad, niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen. In het bijzonder volgt daaruit niet dat de verdachte een zekere mate van bewustheid bezat van de aanwezigheid van dat wapen, aldus de steller van het middel. Voorts wordt geklaagd dat het hof niet (genoegzaam) heeft gerespondeerd op een in dit verband ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
bewustheidbij de verdachte omtrent de aanwezigheid van dat wapen of die munitie en
een zekere machtvan de verdachte over het wapen of de munitie vereist.
'bewustheid'strikt uitgelegd. In deze zaak was er sprake van een vuurwapen dat in een colbert in de slaapkamer van verdachte werd aangetroffen. De Hoge Raad overwoog dat het middel dat onvoldoende bewijs aanwezig was waaruit kon worden afgeleid dat verdachte een zekere mate van bewustheid bezat van de aanwezigheid van dat wapen met munitie terecht werd voorgesteld.
'beschikkingsmacht'. In een zaak waar DNA-sporen op het vuurwapen waren aangetroffen én de verdachte verklaarde dat zij het wapen (van haar vriend) in handen had gehad, concludeerde de Hoge Raad dat ondanks dit gegeven niet zonder meer kon volgen dat zij
'tezamen en in vereniging met een ander'het wapen en de munitie voorhanden had gehad. Dit geldt dus ook in deze zaak als we al zouden aannemen dat cliënt's DNA op het wapen zou hebben gezeten.
Astrageldt dat de verdediging uw Hof eveneens verzoekt om [verdachte] vrij te spreken gelet op hetgeen reeds in eerste aanleg is bepleit, inhoudende dat op de Astra een onvolledig DNA-spoor is aangetroffen. Onvolledig in de zin dat in plaats van de gebruikelijke 10
locislechts een spoor van vier
lociwerd aangetroffen.
'beschikkingsmacht', waarbij het onjuist gebleken argument van de ondoordringbaarheid eerder de conclusie ondersteund dat
juístgeen voldoende beschikkingsmacht kan worden aangenomen.
tweede middelklaagt dat het hof niet althans onvoldoende heeft gerespondeerd op het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat het vuurwapen Smith & Wesson op een voor ieder toegankelijke plaats is aangetroffen en van de revolver geen voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikte DNA-profielen konden worden verkregen, hetgeen tot vrijspraak dient te leiden.
Smith & Wesson revolver
eersteis van belang om vast te stellen dat uit het door het NFI op de
Smith & Wessonrevolver verrichtte onderzoek geen voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikte DNA-profielen konden worden verkregen.
tweedeis van belang dat de uniciteit van het vuurwapen onvoldoende vast is komen te staan.
Smith & Wessonrevolver dat in een van de tonnetjes is aangetroffen, overeenkomt met het serienummer dat is vermeld op de
Smith & Wessonwapenkoffer die op de zolder van [verdachte] is aangetroffen.
Smith & Wessonrevolver. Verbalisant [verbalisant] stelt in het aanvullend P-V van 2 augustus jl. dat er informatie zou zijn opgevraagd bij de fabrikant van het betreffende vuurwapen.
'het type revolver (werd) geproduceerd'.
productie 10aan mijn pleitnota gehecht.
hijde persoon is geweest die verantwoordelijk gehouden dient te worden voor de aanwezigheid van dit vuurwapen in het gemeenteplantsoen.
Conclusie:Nu deze informatie, die in direct betrekking heeft op de door uw Hof te nemen bewijsbeslissing, niet in het procesdossier is opgenomen noch op andere wijze aan uw Hof en de verdediging is bekend is gemaakt, is niet na te gaan of er mogelijk andere belastende dan wel ontlastende informatie uit dit onderzoek is voortgekomen.
Smith & Wessonrevolver is aangetroffen op een plaats die voor een ieder toegankelijk was en van de revolver geen voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikte DNA-profielen konden worden verkregen, verzoekt de verdediging aan uw Hof deze informatie niet te betrekken in uw oordeelsvorming en [verdachte] vrij te spreken van het voorhanden hebben van deze revolver.”
derde middelklaagt dat het hof ongemotiveerd is afgeweken van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van het vuurwapen van het merk Herbert Schmidt. Het hof is bij de verwerping van het verweer dat de aangetroffen wapens zich niet binnen de machtssfeer van de verdachte bevonden ten onrechte enkel ingegaan op de wapens Astra en Smith & Wesson, aldus de steller van het middel.
Herbert Schmidt
essentiëleinformatie kan deze conclusie van het sporenonderzoek niet statistisch worden onderbouwd.
vierde middelklaagt dat het onder 4 bewezenverklaarde medeplegen van witwassen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. In het bijzonder wordt geklaagd dat daaruit niet kan worden afgeleid dat tussen de verdachte en het aangetroffen geldbedrag enige relatie bestond, dat het geldbedrag van misdrijf afkomstig was, dat de verdachte dit wist, dat door het in een plastic tas in de auto verbergen sprake was van het verhullen van de herkomst van dit geldbedrag, noch dat sprake was van medeplegen.
tezamen en in verenigingmet de eigenaar van de auto, te weten zijn zoon [medeverdachte 3], het geld in die auto heeft verborgen”. Die bewijsmiddelen houden omtrent de mogelijke betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte 3] enkel in dat het geldbedrag in zijn auto is aangetroffen. Uit ’s hofs bewijsvoering volgt dat de sleutels van de auto zijn aangetroffen in de woning aan [a-straat 1] te Eindhoven. Medeverdachte [medeverdachte 3] was ten tijde van de doorzoeking echter niet in de woning aan de [a-straat 1] [7] maar verbleef bij zijn vriendin aan de [b-straat 1] te Eindhoven. De sleutels bevonden zich aldus onder handbereik van in ieder geval de verdachte. Voorts is niet vastgesteld dat de medeverdachte over een ander paar sleutels beschikte en heeft hij iedere wetenschap van het aangetroffen geldbedrag ontkend. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking. De klacht is in zoverre terecht voorgesteld.
Kamerstukken II1999/2000, 27 159, nr. 3, p. 14-15):
vijfde middelklaagt dat het hof ontoereikend gemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de in het gemeenteplantsoen aangetroffen goederen zich niet binnen de machtssfeer van de verdachte bevonden, onder meer omdat sprake was van een directe doorgang van het perceel van de buurman naar het gemeenteplantsoen.
eerstestelt de verdediging vast dat de tonnetjes in het gemeenteplantsoen zijn aangetroffen en niet op het terrein van [verdachte]. Dit blijkt uit de situatietekening uit het dossier en door de officier is in eerste aanleg vastgesteld dat uit het proces-verbaal is gebleken dat de goederen buiten het hek zijn aangetroffen.
nietter hoogte van het perceel 3 (gearceerd) van [verdachte]. Het eerste tonnetje ligt op wel 13 meter vanaf het perceel van [verdachte] begraven!
'verstopplaats aan het hekwerk'overwogen dat er sprake was van een
'dichte haag van bomen/struiken'die
'niet of nauwelijks vanaf de buitenzijde van de haag zichtbaar en bereikbaar was'. De rechtbank baseert deze overweging op pagina 239 van het dossier waar door verbalisanten is opgeschreven dat de Laurierheg aan de buitenzijde
'strak tegen de bouwhekken'aan zou hebben gestaan. Als
productie 4is aan mijn pleitnota een foto gehecht waarop te zien valt dat er geenszins sprake was van een dichte haag die strak tegen de bouwhekken aan staat. Tussen de Laurierheg is het hek duidelijk zichtbaar en de betreffende opsporingsambtenaar staat vrij tussen de haag in...
productie 5) waarop duidelijk is vastgelegd dat de aanwezigheid van Laurierstruiken (
Prunus laurocerasus rotundifolia) geenszins maakt dat aanwezige goederen onbereikbaar zijn. Er is ruimschoots de mogelijkheid om door en langs de haag te bewegen, de binnenkant heeft geen bladeren en de bladeren zijn bovendien niet voorzien van stekels of prikkels.
tweedeplaats kan niet alleen worden gezegd dat de gemeentegrond in kwestie toegankelijk was voor derden, maar er bevond zich
nota beneeen groot gat in de muur van de buurman pal naast de vindplaats van de goederen! Uw Hof vindt aan mijn pleitnota een tweetal foto's waarop het gat in de muur van de buurman duidelijk zichtbaar is (zie
productie 6).
'eenvoudig en heimelijk'toegankelijk was voor buren van [verdachte]. Hierover kan dus geen twijfel bestaan.
Ergo: ten tijde van de tenlastegelegde feiten was dit 'gebied' toegankelijk voor derden
derdeplaats wordt door de rechtbank om vier redenen ten onrechte een verband gelegd tussen de aangetroffen tonnetjes in de gemeentelijke grond en het feit dat [verdachte] soortgelijke tonnetjes in zijn schuur had staan.
productie 7).
vierdeplaats kan, zoals reeds door de verdediging toegelicht, onvoldoende betekenis worden toegekend aan de aangetroffen tonnetjes in de gemeentegrond gelet op het feit dat de vindplaats van de tonnetjes en de situatie ter plekke op onzorgvuldige en onvolledige wijze door de politie is vastgelegd. Deze niet of onjuist geverbaliseerde opsporingsbevindingen maken het opsporingsonderzoek onbetrouwbaar.
a.)voor een ieder vrij verkrijgbare tonnen, die geenszins uniek zijn (verre van dat!) en
b.)in een voor publiek toegankelijk plantsoen op geruime afstand van het perceel van [verdachte] en bovendien
c.)het gemeenteplantsoen
'eenvoudig en heimelijk'toegankelijk was voor buren van [verdachte] maakt dat er voldoende ruimte is voor een aannemelijk alternatief scenario. Dit alternatief scenario is door de rechtbank onvoldoende meegewogen in haar beslissing.
zesde middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.