Conclusie
middelin samenhang met de toelichting gelezen klaagt dat het Hof bij zijn verwerping van het verweer tot vrijspraak ten aanzien van hetgeen verdachte onder parketnummer 16-102247-10 is tenlastegelegd, heeft miskend dat een rijontzegging pas ten uitvoer kan worden gelegd nadat aan de verdachte op grond van 180 WVW 1994 in persoon de beslissing waarbij die OBM is opgelegd, is betekend conform artikel 587 en Pro 588 Sv.
tenuitvoerleggingvan de OBM. [1] Art. 9 WVW Pro gaat niet over de tenuitvoerlegging maar stelt als voorwaarde voor een bewezenverklaring, dat de verdachte weet of redelijkerwijs moet weten dat hem bij (in dit geval) rechterlijke uitspraak een OBM is opgelegd. Hoewel deze wetenschap in de praktijk vaak kan blijken uit het feit dat het schrijven waar in art. 180, derde lid WVW over wordt ‘gesproken’ in persoon is uitgereikt, gaat de eis van art. 9 WVW Pro niet zo ver dat voor een bewezenverklaring vereist is dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat het in art. 180, derde lid WVW bedoelde schrijven inhoudt ‘het tijdstip van ingang en de duur van de ontzegging, de verplichting tot uitlevering van het rijbewijs uiterlijk tot dat tijdstip alsmede het gevolg van niet tijdige inlevering’. [2]
Dat voormelde ontzegging zal ingaan op de 21e dag na betekening van dit schrijven om 00.00 uur.
Dat hij veroordeelde, krachtens de wet, verplicht is het (de) aan hem afgegeven rijbewijs (rijbewijzen) – voor zover dit/deze op het tijdstip van de ingang van de ontzegging niet reeds is/zijn in gevorderd en niet is/zijn teruggegeven – uiterlijk op voornoemd tijdstip te hebben ingeleverd op mijn parket, bezoekadres: (…)”