ECLI:NL:PHR:2013:2346

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 november 2013
Publicatiedatum
30 december 2013
Zaaknummer
13/00658
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Rechters
  • Aben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81.1 ROArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling jeugdige voor medeplegen seksueel binnendringen en onttrekken aan gezag

Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft de verdachte bij arrest van 24 april 2012 veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, wegens medeplegen van seksueel binnendringen van een minderjarige en het opzettelijk onttrekken van die minderjarige aan het wettig over haar gestelde gezag.

De verdachte stelde cassatieberoep in met vijf middelen, waaronder een betoog over de onbetrouwbaarheid van studioverhoren van het minderjarige slachtoffer en de medeverdachte, en klachten over de strafoplegging. De Hoge Raad verwierp alle middelen, waarbij werd benadrukt dat het hof zijn oordelen voldoende had gemotiveerd en dat de verdediging geen nieuwe argumenten in cassatie kon aanvoeren.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad ambtshalve een overschrijding van de redelijke termijn van de cassatieprocedure, maar oordeelde dat dit geen aanleiding gaf tot een andere uitkomst dan het verwerpen van het beroep. De aanwezigheid van een vertrouwenspersoon bij het studioverhoor van minderjarigen werd besproken, waarbij werd bevestigd dat dit slechts kan indien de minderjarige daar expliciet om vraagt.

De Hoge Raad bevestigde daarmee de strafoplegging en de motivering van het hof, waarmee het beroep werd verworpen en de veroordeling in stand bleef.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de jeugdige verdachte wordt verworpen en de veroordeling tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen blijft in stand.

Conclusie

Nr. 13/00658 J
Zitting: 26 november 2013
Mr. Aben
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij arrest van 24 april 2012 de verdachte ter zake van 1.
“met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen meermalen gepleegd”en 2.
“medeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag”veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met de bijzondere voorwaarden als in het arrest omschreven. Het arrest bevat voorts een bijkomende beslissing.
2. Namens de verdachte heeft mr. J. Biemond, advocaat te ’s-Gravenhage, beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie.
3. Een door mr. J. Biemond ingediende aanvulling op de schriftuur is eerst na afloop van de bij de wet gestelde termijn bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen. [1] De Hoge Raad kan op dit geschrift geen acht slaan. Hetgeen in deze aanvullende schriftuur is aangevoerd laat ik derhalve buiten bespreking.
4. Het
eerste middelklaagt over de verwerping door het hof van een namens de verdediging gevoerd betrouwbaarheidsverweer met betrekking tot (de verklaring in) het studioverhoor van het minderjarige slachtoffer.
5. Het middel berust op de opvatting dat een rechter zich geen oordeel mag aanmeten over de betrouwbaarheid van de door een (minderjarige) getuige afgelegde verklaring. Die opvatting vindt geen steun in het recht. Voor het overige geldt dat het hof de verwerping van het in het middel bedoelde verweer toereikend gemotiveerd heeft verworpen.
6. Het middel faalt.
7. Het
tweede middelklaagt over de verwerping door het hof van een namens de verdediging gevoerd betrouwbaarheidsverweer met betrekking tot de resultaten van het studioverhoor van de medeverdachte [medeverdachte].
8. Het middel berust op de opvatting dat tijdens het verhoor van een minderjarige verdachte altijd een ouder, of een andere vertrouwenspersoon aanwezig dient te zijn. Die opvatting vindt geen steun in het recht. [2] Het hof heeft als zijn niet onbegrijpelijke oordeel tot uitdrukking gebracht dat uit het proces-verbaal van het verhoor, waarin de besluitvorming over het niet aanwezig laten zijn van de moeder en de stiefvader bij het verhoor is gerelateerd, geenszins blijkt dat de medeverdachte daarbij/daardoor (op welk moment dan ook) onder druk is gezet. Voor verdere toetsing van dat oordeel is in cassatie geen plaats.
9. Het middel faalt.
10. Het
derde middelbetreft feit 2 en klaagt over de verwerping door het hof van een door de verdediging gevoerd (bewijs)verweer.
11. Het middel faalt, nu het oordeel van het hof dat de verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer welbewust hebben onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag geenszins onbegrijpelijk is.
12. Het middel faalt.

13.Het vierde middel klaagt over de motivering van de strafoplegging.

14. Het middel stuit af op de vrijheid die de rechter toekomt bij de keuze en de waardering van de feiten die voor de straftoemeting van belang zijn. Voor zover het middel beoogt te klagen dat de in het middel genoemde gedragsdeskundigen geen deskundigen zijn in de zin van de wet, alsmede dat de uitgebrachte adviezen niet gebaseerd zijn op eigen onderzoek naar de verdachte, merk ik op dat dergelijke verweren niet voor het eerst in cassatie kunnen worden gevoerd.
15. Het middel faalt.

16.Het vijfde middelklaagt over de strafoplegging door het hof.

17. Het middel faalt, nu de strafoplegging door het hof alsmede de motivering daarvan niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en evenmin onbegrijpelijk is.
18. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
19. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad niet binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straf kan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden worden volstaan.
20. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad zal vaststellen dat zich een overschrijding heeft voorgedaan van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, maar dat met de enkele constatering van die overschrijding zal worden volstaan en dat het beroep voor het overige wordt verworpen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.De aanvullende schriftuur is op 7 oktober 2013 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen, terwijl de zestigdagen-termijn op 24 mei 2013 is geëindigd.
2.In dit verband zij gewezen op de ten tijde van het verhoor geldende Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor (2010A007,