Conclusie
Onderdeel Ikeert zich tegen rov. 4.2 van de bestreden beschikking waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de Duitse rechter in de visie van de man niet het juiste recht heeft toegepast geen grond oplevert voor weigering van de tenuitvoerlegging van de Duitse alimentatiebeslissing, omdat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijke toetsing van deze beslissing, en bovendien niet valt in te zien waarom een alimentatievoorziening ook bij de toepassing van het verkeerde recht in strijd zou zijn met de openbare orde. Het middel betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen strijd met de openbare orde in de zin van art. 34 sub Pro 1 EEX-Vo heeft aangenomen, omdat de Duitse rechter in de alimentatiebeslissing van 30 juni 2010 ten onrechte voorbij is gegaan aan de conflictregels van het Haagse Alimentatieprotocol 2007, waardoor de Duitse rechter het verkeerde materiële alimentatierecht heeft toegepast, namelijk het Duitse alimentatierecht in plaats van het (krachtens art. 5 Haags Pro Alimentatieprotocol 2007 toepasselijke) Egyptische dan wel Nederlandse alimentatierecht.
Onderdeel IIbetoogt dat de rechtbank de tenuitvoerlegging van de Duitse alimentatiebeslissing ten onrechte niet heeft geweigerd omdat zij in strijd is met een Egyptische beslissing uit 2009 waarin de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken, welke beslissing in Nederland is erkend blijkens de inschrijving van de echtscheiding op 30 mei 2012 in de registers van de burgerlijke stand. De erkenning van deze echtscheiding betekent volgens het middel tevens een erkenning van de rechtsgevolgen van de echtscheiding, te weten de toepassing van Egyptisch recht op de alimentatie. Nu de vrouw op basis van het Egyptische recht geen aanspraak maakt op alimentatie, is de erkenning van de Duitse alimentatiebeslissing in strijd met de Egyptische echtscheidingsbeslissing, zo betoogt het middel met een beroep op art. 34 sub Pro 4 EEX-Vo.
Onderdeel IIIkomt tevergeefs op tegen het oordeel van de rechtbank in rov. 4.4 voor zover daarin is geoordeeld dat de omstandigheid dat de vrouw beslagmaatregelen heeft getroffen – die in de visie van de man in strijd zijn met zijn te respecteren recht op gezinsleven in de zin van art. 8 EVRM Pro – geen strijd oplevert met de openbare orde exceptie van art. 34 sub Pro 1 EEX-Vo. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat een eventuele onredelijkheid of onrechtmatigheid van de door de vrouw ingestelde executiemaatregelen niet beoordeeld kan worden in het kader van art. 34 sub Pro 1 EEX-Vo. [8] Een dergelijke stelling van de man moet worden beoordeeld in een executiegeschil (art. 438 Rv Pro).
Onderdeel IVover schending van art. 6 EVRM Pro faalt evenzeer. Nog daargelaten dat het onderdeel niet voldoet aan de aan een cassatiemiddel te stellen eisen, bouwt het onderdeel voort op de voorgaande onderdelen en deelt het derhalve het lot daarvan.