ECLI:NL:PHR:2013:2399

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 november 2013
Publicatiedatum
21 januari 2014
Zaaknummer
11/04739
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 27 SrArt. 437 SvArt. 588 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verdachte wegens niet-indienen cassatiemiddelen in Opiumwetzaak

Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte bij arrest van 19 oktober 2011 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 219 dagen wegens opzettelijk handelen in strijd met een verbod uit artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet. Tevens werd verbeurdverklaring en teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen opgelegd.

Verdachte stelde beroep in cassatie in, vertegenwoordigd door mr. V.C. van der Velde. De aanzegging van het cassatieberoep werd rechtsgeldig betekend op 11 januari 2012 aan verdachte persoonlijk en op 19 januari 2012 aan zijn raadsman. Echter, verdachte heeft geen schriftuur met cassatiemiddelen ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn.

De Hoge Raad oordeelt dat hierdoor het vereiste voorschrift van artikel 437, tweede lid, Sv niet is nageleefd en verklaart verdachte niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen binnen de wettelijke termijn.

Conclusie

Nr. 11/04739
Zitting: 19 november 2013
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, heeft bij arrest van 19 oktober 2011 de verdachte wegens “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 219 dagen met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro en met verbeurdverklaring en teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen zoals in het arrest omschreven.
2. Deze zaak hangt samen met twee ontnemingszaken tegen de verdachte (nr. 11/05205 P en nr. 11/05204 P) en een andere strafzaak tegen de verdachte (nr. 11/04740), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
3. Namens de verdachte heeft mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, beroep in cassatie ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
4. De aanzegging in cassatie is op 6 januari 2012 tevergeefs aangeboden aan het GBA-adres van de verdachte en vervolgens op 11 januari 2012 in persoon uitgereikt aan de verdachte op het postkantoor in de woonplaats van de verdachte. Bovendien is op 19 januari 2012 mededeling van de betekening van de aanzegging gedaan aan de raadsman van de verdachte (mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere). Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1°, Sv, in verbinding met art. 588, derde lid, onder b, Sv, rechtsgeldig betekend.
5. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv niet in acht genomen, zodat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
n.d.