Dat de in de bewezenverklaring vermelde BMW 645ci cabrio - middellijk – uit misdrijf afkomstig was, leidt het hof af uit de hoge aankoopprijs van EUR 46.000,—, door de medeverdachte [medeverdachte 3] nota bene contant, in één keer, betaald in ongebruikelijk grote coupures, welke prijs en betalingswijze niet vallen te rijmen met zijn uitkering en het ontbreken van inkomsten of vermogen uit legale bron. Het hof is van oordeel dat de verdachte door de auto op haar naam te zetten welbewust het aanmerkelijke risico heef3 aanvaard dat zij met anderen zich zou schuldig maken aan het verhullen van identiteit van de rechthebbende van die auto" (bijlage, p. 2/3).
7. Vanaf punt 5 van de toelichting worden als nadere klachten geformuleerd dat (i) uit de bewijsvoering niet volgt dat de verdachte wist voor hoeveel geld de auto was gekocht noch dat dit cash was geschied; (ii) zonder nadere, ontbrekende, motivering niet zonder meer begrijpelijk is waarom de verklaring van de verdachte dat zij dacht dat haar zoon de auto had gefinancierd uit de opbrengst van spelletjes niet aannemelijk is. (iii) Op dit punt ondergraaft het Hof zijn eigen redenering door te overwegen dat, zelfs als de verdachte dit wel dacht, zij nog niet had mogen handelen zoals zij deed: de auto op haar naam zetten. (iv) Tenslotte is de overweging van het Hof dat de verdachte had
kunnenvermoeden dat de auto uit misdrijf afkomstig is niet redengevend voor het bewezenverklaarde
moetenvermoeden.
8. Het eerste punt is terecht opgemerkt, maar wordt gecompenseerd door wat het Hof als een feit van algemene bekendheid aanmerkt: dat een auto als de onderhavige een dure auto is, die personen met een uitkering zich in beginsel niet kunnen permitteren.
9. Het tweede punt ligt in het verlengde van het vorige omdat het niet voor de hand ligt dat de inkomsten van spelletjes het gebrek aan aanmerkelijke inkomsten voor de aanschaf van een dure auto compenseren. Tegenover het verwijt aan het Hof dat het die gedachte zonder nader motivering niet aannemelijk heeft geacht past het verwijt dat de verdachte die gedachte feitelijk en met details had moeten onderbouwen.
10. Het derde punt ziet over het hoofd dat de gang van zaken nogal ongebruikelijk is: zoonlief koopt een dure auto, zet deze zes dagen later op naam van zijn zuster, zonder dat deze aan de auto heeft meebetaald, waarna, binnen een maand, de auto op naam van de verdachte wordt gezet. Voor deze handelwijze wordt geen plausibele verklaring gegeven. Verdachte had dus onderzoek moeten instellen waarom – in haar gedachtengang, die het Hof in zoverre nog wel even wil volgen – haar zoon de met de gedachte opbrengst van spelletjes betaalde auto steeds op naam van een ander wilde zetten. Daarvoor is te meer reden omdat een moeder toch zal willen weten of en verhinderen dat haar zoon van het rechte pad afdwaalt?
11. Het vierde punt mist dat er meer aan de hand is dan een dure auto die haar zoon niet van zijn uitkering kon hebben betaald, zodat zij
konvermoeden dat de auto van misdrijf afkomstig was. Daar komt namelijk bij dat de kort op elkaar volgende wijzigingen in de tenaamstelling tot datzelfde vermoeden van “niet pluis"
kondenleiden. Dat het Hof heeft bewezenverklaard dat die omstandigheden tezamen ook bij de verdachte redelijkerwijs tot het vermoeden
moestenleiden dat de auto uit misdrijf afkomstig was, is hiermee niet in strijd.
12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen. Constatering van de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase is voldoende, gelet op de aan de verdachte opgelegde straf.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Waarnemend A-G