Conclusie
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Parket bij de Hoge Raad
Op 13 augustus 2005 sloeg en schopte verdachte het slachtoffer meerdere malen, waarbij het slachtoffer ernstig letsel opliep, waaronder een gebroken jukbeen, oogkas en hersenkneuzing. Het hof Arnhem veroordeelde verdachte voor poging tot doodslag en legde een voorwaardelijke gevangenisstraf en werkstraf op.
De verdediging stelde in hoger beroep dat het bewijs onvoldoende was om opzet op de dood vast te stellen, vanwege tegenstrijdige getuigenverklaringen en onduidelijkheid over de kracht en plaats van de trappen. Het hof achtte de verklaringen van twee getuigen en het medisch dossier voldoende en concludeerde dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd en het bewijs op juiste wijze heeft gewogen. Het cassatiemiddel faalt en wordt verworpen. De veroordeling blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor poging tot doodslag met voorwaardelijk opzet.