Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.Bespreking van het middel
onderdeel 2bklaagt over passering van het herhaalde bewijsaanbod van [eiser] miskent het dat niet wordt aangegeven waar dit zou zijn te vinden en waarop het betrekking had. Voor het ziet op een bewijsaanbod aan [verweerder], wordt uit het oog verloren dat daarvoor eerst plaats was als [eiser] [verweerder] stellingen voldoende had bestreden. Dat nu was volgens het Hof niet het geval; zie rov. 8.4-8.7.
onderdeel 4berover dat het Hof uit het oog heeft verloren dat het enkel stellen van een termijn niet tot verzuim behoeft te leiden. [eiser] wijst in dit verband op het arrest [D/E]. [8] Volgens [eiser] is de in de brief gestelde termijn geen redelijke termijn nu het Pinksterweekend binnen de genoemde periode (1 juni 2006 tot 6 juni 2006) was gelegen. Hoewel niet eerder is gesteld dat de gestelde termijn niet redelijk is, is volgens [eiser] geen sprake van een ontoelaatbaar novum nu het een feit van algemene bekendheid is dat Pinksteren in 2006 op zondag 4 en maandag 5 juni 2006 viel.
onderdeel 4cberust op de veronderstelling dat in de MvA onder 5 en 12 zou worden betoogd (of erkend) dat de opdracht waar het de kwaliteit van het stucwerk betreft op 6 juni 2006 werd gewijzigd. Nu dat er allerminst uit blijkt, ontbeert de klacht een feitelijke basis. Zij behoeft geen nadere bespreking.
onderdeel 4dal een touw valt vast te knopen, is het gebaseerd op de stelling dat in de MvA onder 12 wordt betoogd dat de werknemers van [C]/EWA tot 28 augustus 2006 “in het Ikea-Delft-project bleven werken”. Dat valt er evenwel met geen mogelijkheid in te lezen. Reeds daarop strandt de klacht.
onderdeel 5. Het richt op p. 14 en 15 nogal uitvoerig de fiolen van zijn toorn tegen de handelwijze van [verweerder]. Aldus miskent het dat cassatieberoep slechts enige zin heeft wanneer het zich richt tegen hetgeen
het Hofin het bestreden arrest heeft geoordeeld.