Conclusie
- het perceel kadastraal bekend gemeente Bergen (L), sectie S nummer [001], groot 08.25.35 ha (grondplannummer [1]);
- een gedeelte ter grootte van 06.15.28 ha van het perceel kadastraal bekend gemeente Bergen (L), sectie S nummer [002], groot 10.68.80 ha (grondplannummer [2]);
- een gedeelte ter grootte van 01.33.62 ha van het perceel kadastraal bekend gemeente Bergen (L), sectie S nummer [002], groot 10.68.80 ha (grondplannummer [3]).
Hoogwatergeul Well-Aijenop de rechteroever van de Maas tussen de kernen van Well en Aijen, vanaf het punt ongeveer 500 meter ten zuiden van de invaart naar de plas ’t Leuken (Maaskilometer 134.575) tot de Aijense Beek (Maaskilometer 138.180), met bijkomende werken, in de gemeente Bergen (L), ten algemenen nutte en ten name van de Staat (Ministerie van Verkeer en Waterstaat).
2.Bespreking van de ontvankelijkheid van de Staat in zijn cassatieberoep
vergelijkingsmethode, waarbij de deskundigen negentien (door de Staat aangereikte) transacties in het projectgebied Hoogwatergeul Well-Aijen uit de jaren 1999-2002 in aanmerking nam - transacties dus waarbij, naar ik begrijp, de betrokken partijen rekening hielden met de komende delfstoffenwinning - leverde, na indexering, een gemiddelde grondprijs van € 6,63 per m2 op. [8] Daarop werd de agrarische waarde van € 4,50 (zie 3.2 hierboven) in mindering gebracht zodat resteerde een toeslag van € 2,13.
residuele (top-down)methode de hoogte van de toeslag berekend. Daarbij hebben zij, omdat onvoldoende exploitatiegegevens voorhanden waren met betrekking tot de zand- en grindwinning in het projectgebied Hoogwatergeul Well-Aijen, gekeken naar de exploitatiegegevens die zij kenden uit een andere onteigeningsprocedure, waarin het ging om 20 ha agrarische grond die onteigend zou worden van [B] B.V. [9] [B], de moedermaatschappij van de hierboven bij 2 bedoelde [C], heeft in die zaak ter onderbouwing van de door haar te lijden exploitatieschade een gedetailleerde exploitatierekening overgelegd, die uitkwam op een (te derven) winst van € 3,5 miljoen ofwel € 17,50 per m2. Conform de jurisprudentie die de exploitatiewinst bij winning van de bodembestanddelen voor de helft in de vorm van een toeslag aan de onteigende laat toekomen, kwamen de deskundigen in de onderhavige zaak op een toeslag op basis van de residuele methode van € 8,75 per m2. Zij hebben uiteindelijk kennelijk de verschillende uitkomsten van de toeslagen (€ 2,13 berekend op de voet van de vergelijkingsmethode en € 8,75 op de voet van de residuele methode) gemiddeld en afgerond op € 5,50.
4.Bespreking van de cassatieklachten
zonder bijlagen) bij het rapport zijn gevoegd. De bijlagen bij de brief van 7 juli 2011 van mr. B.S. ten Kate (de advocaat van de Staat in feitelijke instantie) behoren dus niet tot de gedingstukken waarop de rechtbank recht heeft gedaan. Voor zover de cassatieklachten een beroep doen op die bijlagen, waaronder een notitie van [C] van januari 2011 naar aanleiding van het conceptrapport van de deskundigen, (zie met name de onderdelen 1.5 en 1.6) ontberen zij dus naar mijn mening feitelijke grondslag.
eerste onderdeelis gericht tegen de rov. 2.17 en 2.19 en klaagt dat de rechtbank aan de door de Staat gemaakte bezwaren tegen het gebruik van de residuele methode voorbij is gegaan. De Rechtbank zou bij deze beslissing onvoldoende aandacht hebben besteed aan de fundamentele kritiek van de Staat op de door de Rechtbank gevolgde exploitatiebegroting van de deskundigen. Het onderdeel werkt deze klacht in de onderdelen 1.1 – 1.10 uit.
zelfstandig dragende grondvoor de verwerping van de bezwaren van de Staat tegen de door de deskundigen gebruikte gegevens voor de residuele methode. Die lezing van rov. 2.17 is evenwel onaannemelijk. De rechtbank wijst er in deze vooropstelling op dat de deskundigen de waarde van het onteigende niet enkel en alleen via de residuele methode hebben getaxeerd. Dat achtte zij kennelijk (en begrijpelijkerwijs) een relevant gegeven bij de beoordeling van de bezwaren van de Staat. Het onderdeel mist dus feitelijke grondslag.
welkemeerwaarde het onteigende ontleent aan de daarin liggende “onwinbare bodembestanddelen”? Men kan natuurlijk zo goed mogelijk berekenen wat de marktwaarde is van de bij de realisering van het werk waarvoor onteigend wordt winbare bodembestanddelen. Maar het is niet realistisch om de meerwaarde van het onteigende gelijk te stellen aan die marktwaarde, omdat kosten zijn verbonden aan de ontgronding, aan de scheiding van vrijkomende stoffen die wèl en die niet te gelde kunnen worden gemaakt en aan het terugbrengen van het grondstuk in de staat waarin het volgens de voorwaarden van de ontgrondingsvergunning moet worden teruggebracht. Een redelijk handelende koper zal dus in het vrije commerciële verkeer niet bereid zijn om een prijs te bieden waarin een zo hoge meerwaarde is verdisconteerd. De onteigeningspraktijk pleegt zich dan ook te bedienen van berekeningen van de nettowinst die de onteigenaar bij de winning van de bodembestanddelen zou kunnen behalen om vervolgens de meerwaarde te bepalen op de helft van die nettowinst. Dergelijke berekeningen zijn allesbehalve eenvoudig, omdat, uiteraard, heel veel afhangt van de kosten van winning en scheiding tussen bruikbare en onbruikbare stoffen. Een klein verschil in calculatie van die, niets steeds nauwkeurig voorspelbare, kosten, kan een groot verschil maken in de winst (of deze doen omslaan in een verlies). Nog moeilijker wordt het als de deskundigen en de onteigeningsrechter in het duister tasten voor wat betreft de exploitatiebegroting van de winning van de delfstoffen door de onteigenaar.
tweede onderdeelbevat diverse, niet in genummerde deel-onderdelen onderscheiden, klachten, die gericht zijn tegen rov. 2.12 en 2.15, en die allemaal ertoe strekken dat de rechtbank de vergelijkingsmethode had moeten toepassen.
toeslag wegens in het onteigende aanwezige delfstoffenkan betreffen, nu, zoals ik hierboven in nr 3.2 en noot 6 heb uiteengezet, de door de deskundigen geadviseerde en door de rechtbank overgenomen agrarische waarde (€ 4,50 per m2) door middel van vergelijking met andere transacties is gevonden. Voorts wil ik in herinnering brengen dat - zoals ik hierboven bij nr 3.3 heb geprobeerd uiteen te zetten - de deskundigen, en in hun voetspoor de rechtbank, voor de bepaling van de toeslag zowel de vergelijkingsmethode (uitkomst: € 2,13 per m2) als de residuele methode (uitkomst: € 8,75 per m2) hebben toegepast, en op een afgerond gemiddelde van € 5,50 per m2 zijn uitgekomen.
derde onderdeelgaan om het volgende. De grondwaarde inclusief toeslag voor zand en grind die de deskundigen op grond van de vergelijkingsmethode hebben gevonden (€ 6,63 per m2, zie rov. 2.17 en nr. 3.3 hierboven), is blijkens bijlage 5 bij het deskundigenadvies (blz. 25-27, zie vooral blz. 26) het gemiddelde van negentien (door de Staat aangedragen) gerealiseerde grondaankooptransacties uit de jaren 1999-2002 in het projectgebied Hoogwatergeul Well-Aijen, geïndexeerd naar het prijspeil medio 2010. De (ongewogen) gemiddelde grondprijs kwam uit op € 5,31 per m2. Die uitkomst hebben de deskundigen naar het “huidige prijspeil” geïndexeerd door middel van een index van 2% per jaar. Uitkomst, als gezegd, € 6,63 per m2. De Staat heeft er een punt van gemaakt dat die indexering (over een periode van 11 jaar) niet juist is. In zijn reactie op het conceptadvies (brief van mr. Ten Kate aan de deskundigen van 7 juli 2011, als bijlage gehecht aan het deskundigenadvies), voerde hij aan:
allepunten die de partijen naar voren brengen hoeft in te gaan.
voornamelijkdoor de aanwezigheid van bodembestanddelen wordt bepaald, is dus onjuist. Het indexeringsbezwaar van de Staat kan slechts betrekking hebben op het toeslaggedeelte.
vierde onderdeelklaagt (ik parafraseer:) dat de rechtbank niet, of niet zonder nadere motivering, had mogen komen tot een waardevaststelling van € 10 per m2, nu dat méér is dan de hoogste waarde (€ 9,20 per m2) die in de vergelijkingstransacties voor vergelijkbare grond is betaald. Het onderdeel wijst niet naar een al door de Staat bij de rechtbank naar voren gebrachte betoog van deze strekking.
vijfde onderdeelbestrijdt de Staat uitsluitend de proceskostenbeslissing ten gunste van verweerders in cassatie 1-3 en 5-7 (door de rechtbank aangeduid als “[verweerders 1-7]”), te weten € 51.084,69 ter zake van kosten van juridische en andere deskundige bijstand en € 1.185 ter zake van griffierechten. De rechtbank overwoog, voor zover in cassatie van belang, hierover in rov. 2.28-2.35 [32] :
onderdeel 5.2lijkt mij evenmin gegrond. Die steunt in wezen op een vuistregel waarop de Staat zich kennelijk reeds bij de rechtbank heeft beroepen en die inhoudt dat de omstandigheid dat verweren tegen de onteigeningstitel zijn verworpen (behoudens bijzondere omstandigheden, waarvan in de gedingstukken van deze zaak niet zou blijken) geen andere gevolgtrekking toelaat dan dat de kosten van verweer met betrekking tot de onteigeningstitel niet in redelijkheid zijn gemaakt, althans dat de hoogte van die kosten niet redelijk is. Naar mijn mening heeft de rechtbank in rov. 2.29 die vuistregel terecht verworpen, en kan de door de Staat gelaakte motivering, gelet op hetgeen Uw Raad in zijn arrest van 18 januari jl. in algemene zin heeft overwogen met betrekking tot de motivering van kostenbeslissingen in onteigeningszaken (zie het citaat hierboven in nr 4.38, slot van rov. 4.2), door de beugel.