ECLI:NL:PHR:2013:3
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over opsporingsbevoegdheid bij overtreding Wet vervoer gevaarlijke stoffen
In deze zaak stond centraal de vraag of opsporingsambtenaren op grond van artikel 23 van Pro de Wet op de economische delicten (WED) gerechtigd waren een tankduwbak te betreden in de Rotterdamse haven om een mogelijke overtreding van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) te onderzoeken.
Het hof had geoordeeld dat de ambtenaren terecht aan boord waren gegaan, omdat er aanwijzingen waren dat de regelgeving sinds 2006 niet voldoende werd nageleefd. De verdediging stelde echter dat er geen concrete aanwijzingen waren voor een overtreding op het moment van het onderzoek en dat het bewijs onrechtmatig was verkregen.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat voor opsporingsbevoegdheden op grond van de WED concrete aanwijzingen nodig zijn, en dat een algemene verdenking of niet-onderbouwde aanwijzing onvoldoende is. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom er sprake was van concrete aanwijzingen voor een overtreding aan boord van het specifieke schip.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Tevens wordt opgemerkt dat de redelijke termijn is overschreden, maar dat eventuele consequenties daarvan aan het hof kunnen worden overgelaten.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor herbeoordeling vanwege onvoldoende concrete aanwijzingen voor opsporing.