Conclusie
- [de dochter], geboren op [geboortedatum] 2003; en
- [de zoon], geboren op [geboortedatum] 2006.
“zijn werkzaamheden zoveel als mogelijk was (…) ingericht om voldoende betrokken te zijn bij de verzorging en opvoeding van de kinderen” [2] .
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
Middel I(onderdelen 17-33) richt zich blijkens
onderdeel 17tegen de rov. 4.8-4.14.
Onderdeel 19betoogt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting van het in art. 1:253a BW vervatte begrip “belang van het kind” is uitgegaan, althans een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd door niet de zelfstandige belangen van de kinderen in de belangenafweging te betrekken. Het onderdeel betoogt dat het hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat de kinderen uitsluitend een van één van de ouders (in casu de moeder) afgeleid belang hebben, in welk verband het onderdeel wijst op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgens welke de belangen van de kinderen bij de beslissing een eerste (doch niet enige) overweging dienen te zijn. Althans is, nog steeds volgens het onderdeel, het oordeel van het hof op dit punt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, mede gelet op hetgeen het hof in rov. 4.7 heeft overwogen. Na een schets van het wettelijke kader en de volgens de rechtspraak toepasselijke maatstaven in de
onderdelen 19-23, betoogt
onderdeel 24dat de door het hof gevolgde gedachtegang aldus kan worden weergegeven dat het hof zich heeft afgevraagd, in de eerste plaats bij welke ouder de kinderen het beste hun hoofdverblijfplaats kunnen hebben, in de tweede plaats of deze ouder belang heeft bij verhuizing naar het buitenland, en, in de derde plaats, of er argumenten denkbaar zijn die boven dit belang dienen te prevaleren (zoals het belang van de kinderen en de belangen van de vader). Daarmee heeft het hof volgens het onderdeel een onjuist uitgangspunt gehanteerd, nu op grond van art. 1:253a BW het belang van het kind dient te worden overwogen, los van de individuele en zelfstandige belangen van de ouders, die eveneens, maar dan als afzonderlijke belangen, in de belangenafweging door de rechter dienen te worden betrokken. De
onderdelen 25-26werken verder uit waarin de (volgens de vader onjuiste) benadering van het hof tot uitdrukking komt.
“een overweging van de eerste orde”(
“a primary consideration” [7] ) dient te zijn, is nauw verweven met waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet op hun juistheid kunnen worden getoetst. Het is aan de feitenrechter om deze afweging te maken. Ook uit de geciteerde overweging vloeit niet voort dat de feitenrechter is gehouden daarbij een bepaalde volgorde van (deel)vragen aan te houden, zolang de afweging in haar geheel voldoende inzichtelijk is en de door partijen aangevoerde essentiële stellingen daarbij zijn betrokken.
onderdeel 25, waarin het hof heeft overwogen dat
“(t)egenover het belang van de moeder bij een verhuizing naar Finland en het belang van de kinderen om met de moeder in gezinsverband te wonen, (…) het belang (staat) van de vader en de kinderen bij een regelmatige omgang met elkaar.”
onderdeel 27betoogt het middel dat het hof het “belang van het kind” te eng heeft uitgelegd. Het onderdeel verwijt het hof het belang van de kinderen te veel met dat van de moeder te hebben vereenzelvigd, terwijl “het belang van het kind” veel breder is en ook met de belangen van één van de ouders kan botsen, zelfs als het kind bij een hoofdverblijf bij de desbetreffende ouder het meest gebaat is. Het bestreden oordeel miskent volgens het onderdeel ook dat “het belang van het kind” een positieve voorwaarde vormt en dat (anders dan het hof aan het slot van rov. 4.10 lijkt te hebben aangenomen) het uitgangspunt van art. 1:253a BW niet is dat er toestemming wordt verleend tenzij het belang van het kind zich daartegen verzet.
niet(niet in doorslaggevende mate) met het belang van de moeder bij verhuizing naar Finland botst, maar dat impliceert niet dat naar het oordeel van het hof zou zijn uitgesloten dat een dergelijke botsing zich zou kunnen voordoen, ook als de kinderen het meest bij een hoofdverblijf bij de moeder zijn gebaat. In de rov. 4.12 en 4.10, zoals aangehaald in onderdeel 25, ligt besloten dat ook naar het oordeel van het hof in bepaalde opzichten wel degelijk van conflicterende belangen van de moeder en de kinderen sprake is. In rov. 4.12 heeft het hof het belang van de moeder bij een verhuizing naar Finland immers gesteld
tegenoverhet belang van de kinderen (en van de vader) bij een regelmatige omgang, terwijl het hof in rov. 4.10 heeft overwogen dat een verhuizing van de kinderen naar Finland
“een inbreuk betekent op het recht op gelijkwaardige opvoeding en verzorging door beide ouders”, zij het dat het die inbreuk onvoldoende groot heeft geoordeeld om die verhuizing niet in het belang van de kinderen te achten.
nietin het belang van de kinderen is. Naar mijn mening geven de rov. 4.9 en 4.13 wel degelijk blijk van het positieve karakter van de voorwaarde van “het belang van het kind”, in die zin dat het hof daarin heeft vastgesteld waarom het belang van de kinderen verhuizing naar Finland in positieve zin vordert. Het slot van rov. 4.10 moet aldus worden opgevat dat naar het oordeel van het hof een verhuizing van de kinderen naar Finland weliswaar afdoet aan een gelijkwaardige opvoeding en verzorging door beide ouders, maar niet in een zodanige mate dat dit het (positieve) belang van de kinderen bij verhuizing naar Finland teniet zou doen.
onderdelen 28-30) aandacht te hebben geschonken aan de aspecten die naar internationale en nationale inzichten een rol behoren te spelen in verhuizingskwesties, betoogt het middel in
onderdeel 31dat het hof heeft verzuimd de door de vader in dit verband aangevoerde essentiële stellingen daadwerkelijk bij zijn beslissing te betrekken. In rov. 4.12 lijkt het hof volgens het onderdeel deze aspecten mede in aanmerking te hebben genomen, waar het heeft overwogen:
“die”verhuizing (waarmee het hof, naar ik aanneem, heeft gedoeld op de verhuizing die reeds had plaatsgehad) voor de kinderen schadelijk is geweest. Kennelijk heeft het hof met dit een en ander tot uitdrukking willen brengen dat het zich van de ingrijpende veranderingen van een verhuizing naar Finland bewust is geweest, maar die ingrijpende veranderingen (tegenover de voordelen) niet doorslaggevend heeft geacht, nu de kinderen, kennelijk zonder schadelijke gevolgen, reeds aan dergelijke veranderingen zijn blootgesteld en zij ook bij voortgezet verblijf met de moeder in Nederland opnieuw dergelijke veranderingen zullen moeten ondergaan. Ik acht dat oordeel niet onbegrijpelijk en niet ontoereikend gemotiveerd, waarbij ik mede van belang acht dat het hof in rov. 4.10 ampel op de gevolgen van de verhuizing voor het contact met de vader is ingegaan en voorts in rov. 4.14 heeft gememoreerd dat via moderne communicatiemiddelen eenvoudig zeer regelmatig contact tussen de vader en de kinderen kan worden onderhouden.
individuelebelang van de kinderen in aanmerking heeft genomen.
enkele feitdat de kinderen het meest gebaat zijn bij een hoofdverblijfplaats bij de moeder, niet impliceert dat een verhuizing ook het belang van de kinderen dient. Het hof heeft de positieve gevolgen van de verhuizing voor de kinderen in aanmerking genomen. Het onderdeel kan daarom niet slagen.
onderdeel 34tegen rov. 4.10 en klaagt over een onjuiste rechtsopvatting van art. 1:247 BW Pro en het daarin opgenomen begrip “gelijkwaardig ouderschap”. De beslissing om vervangende toestemming te geven aan de moeder om met de kinderen naar Finland te verhuizen is volgens het middel met art. 1:247 BW Pro en het daarin opgenomen recht van de vader en de kinderen op gelijkwaardig ouderschap in strijd.
Onderdeel 35herinnert eraan dat de vader in de processtukken regelmatig een beroep op dat recht heeft gedaan. Nadat
onderdeel 36de relevante passages uit rov. 4.10 heeft geciteerd, klaagt
onderdeel 37dat het hof het gelijkwaardig ouderschap heeft miskend door tot uitgangspunt te nemen en voldoende te achten dat er bij verhuizing van de moeder en de kinderen naar Finland nog ruimte zal zijn voor een inhoudelijke en verzorgende rol van de vader. Dat blijkt volgens het onderdeel ook uit de passage in rov. 4.10, volgens welke een verhuizing van de kinderen naar Finland weliswaar een inbreuk betekent op het recht op gelijkwaardige opvoeding en verzorging door beide ouders, maar in dit geval niet sprake is van een dermate grote inbreuk dat deze verhuizing niet in het belang van de kinderen is.
Onderdeel 38memoreert dat het hof heeft miskend dat het hier gaat om een in de wet verankerd recht van de kinderen jegens hun ouders en dat niet uit de bestreden beschikking volgt welke de wettelijke grondslag is voor de door het hof kennelijk voor mogelijk gehouden afwijking van het uitgangspunt van een gelijkwaardig ouderschap.
Beide ouders hebben het recht en de plicht om gelijkwaardig aan de opvoeding deel te nemen.” Terughoudender is de minister, die in de Eerste Kamer onder andere heeft opgemerkt [9] :
nietimpliceert dat de rechter (buiten de wettelijk geregelde uitzonderingen, in het bijzonder die van de
“praktische belemmeringen”zoals bedoeld in art. 1:247 lid 5 BW Pro) steeds van een gelijke verdeling van de hoofdverblijfplaats van het kind en van een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders zou moeten uitgaan. Voorts ligt daarin besloten dat met name dan van een gelijke verdeling kan worden afgeweken, indien zulks in het belang van het kind moet worden geacht. Tegen die achtergrond meen ik dat het recht op gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders zich niet a priori verzet tegen een door de rechter in het belang van het kind gegeven vervangende toestemming voor een verhuizing naar het buitenland van het kind en de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft, ook niet indien door die verhuizing een gelijke verdeling van zorg- en opvoedingstaken niet meer mogelijk zou zijn.
anderbelang van de kinderen in aanmerking zou komen, waarbij een zwaardere motiveringsplicht zou moeten gelden. Het onderdeel herhaalt de eerdere klacht dat uit de beschikking niet kan worden afgeleid op grond waarvan de kinderen er een zelfstandig belang bij zouden hebben te verhuizen naar Finland, anders dan dat zij er belang bij hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder te hebben (hetgeen zowel in Nederland als in Finland kan worden gerealiseerd).
onderdelen 42-49klagen over de in
onderdeel 42geciteerde overweging in rov. 4.10 dat de vader de kinderen kan begeleiden naar hun activiteiten en met hen activiteiten kan ondernemen
in dezelfde mateals hij dat met de kinderen in Nederland kan doen, en dat het contact tussen de vader en de kinderen tijdens de vakanties evenmin een wijziging behoeft te ondergaan. Volgens
onderdeel 43is deze overweging, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk, gelet op hetgeen de rechtbank in haar beschikking (p. 34) heeft overwogen:
onderdeel 44heeft de moeder tegen deze overweging gegriefd, welke grief in rov. 4.8 van de bestreden beschikking is verworpen. Het hof heeft daarin overwogen dat de vader voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdens de relatie van partijen zijn werkzaamheden zoveel als mogelijk heeft ingericht om voldoende betrokken te zijn bij de verzorging en opvoeding van de kinderen en dat hij een belangrijke rol vervulde en nog steeds vervult. Over de periode na het verbreken van de relatie heeft het hof overwogen dat het contact tussen de vader en de kinderen een periode minder frequent is geweest, terwijl de kinderen ten tijde van de bestreden beschikking bij de vader verbleven overeenkomstig door de rechtbank vastgestelde en in rov. 3.4 (en - ten dele - in
onderdeel 45) weergegeven regeling. Nadat de
onderdelen 46 en 47nog hebben verwezen naar door de vader in appel betrokken stellingen over zijn vaderrol tijdens en na de relatie, klaagt
onderdeel 48dat het oordeel dat de vader bij een verhuizing van de moeder met de kinderen naar Finland in dezelfde mate bij de activiteiten van de kinderen kan zijn betrokken als in Nederland onbegrijpelijk is, mede gelet op hetgeen de rechtbank (op p. 5 van haar beschikking) heeft overwogen:
onderdeel 49lijkt grief 2 in principaal appel mede tegen dit oordeel te zijn gericht, maar is dat laatste niet het geval, nu de bedoelde grief blijkens de daarop gegeven toelichting zich met name richt tegen de uitleg van het begrip gelijkwaardig ouderschap en de consequenties die de rechtbank daaraan heeft verbonden. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de mogelijkheden tot deelname aan het dagelijkse leven van de kinderen staat volgens het onderdeel dus vast.
“Tevens zal hij daarbij (…)”) betreft slechts de wijze waarop de vader invulling kan geven aan zijn opvoedende en verzorgende taak in de perioden (éénmaal per drie weken of éénmaal per maand een lang weekend) gedurende welke hij de kinderen in Finland kan bezoeken. Dat de frequentie van het contact tussen de vader en de kinderen zal veranderen, is ook door het hof vooropgesteld. Voorts heeft het hof onder ogen gezien dat de verhuizing van de moeder en de kinderen naar Finland de gelijkwaardigheid van de ouders niet onaangetast zal laten; het hof heeft in dit verband zelfs van een inbreuk gesproken, zij het dat die inbreuk niet dermate groot is dat de verhuizing naar Finland daardoor niet langer in het belang van de kinderen zou zijn.
onderdelen 50 en 51klagen over de in onderdeel 50 geciteerde rov. 4.13. Volgens
onderdeel 51is het daarin vervatte oordeel, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat de strijd tussen partijen niet slechts op de hoofdverblijfplaats van de kinderen, maar ook de zorgverdeling en de rol van de vader daarin betrekking heeft gehad. Daarbij memoreert het onderdeel dat partijen ook in een tweetal kortgedingprocedures betrokken zijn geweest. Volgens het onderdeel is de verwachting van het hof dat de communicatieproblemen als sneeuw voor de zon zullen verdwijnen, zodra er duidelijkheid bestaat over het verzoek van de moeder, daarom onvoldoende gemotiveerd. Daarbij herinnert het onderdeel eraan dat een goede communicatie tussen de ouders wordt beschouwd als basisvoorwaarde voor het verlenen van vervangende toestemming voor een verhuizing naar het buitenland.
beterin staat zullen zijn met elkaar over de kinderen te communiceren. Ook zonder nadere motivering acht ik die gedachtegang niet onbegrijpelijk.
onderdeel 52gericht tegen het ambtshalve oordeel van het hof om bij herstelbeschikking van 9 juli 2012 met gebruikmaking van art. 31 Rv Pro de beschikking van 28 juni 2012 alsnog ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De bedoelde beslissing, die ten dele ook wordt geciteerd in
onderdeel 53, luidt als volgt:
onderdeel 54geeft het bestreden oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting van art. 31 Rv Pro. Volgens het onderdeel kan de rechter, ook ambtshalve, de eindbeschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren, maar biedt de wet geen uitsluitsel over de vraag of hij dat achteraf, bij nadere beschikking, alsnog kan. Het onderdeel betoogt, onder verwijzing naar Van Mierlo [11] , dat dit laatste buiten het geval waarin een uitvoerbaarverklaring bij voorraad is verzocht (en waarop art. 32 Rv Pro betrekking heeft), niet mogelijk is.
Onderdeel 55memoreert dat de beslissing is gebaseerd op art. 31 Rv Pro, op grond waarvan sprake moet zijn van een kennelijke fout. De parlementaire geschiedenis zegt hierover dat van belang is dat voor partijen en derden direct duidelijk dient te zijn dat van een vergissing sprake is [12] . Het hof heeft geoordeeld dat uit de aard van de zaak voortvloeit dat het hier om een kennelijke fout gaat. Een en ander is in de visie van de vader echter niet zo evident. Blijkens het petitum heeft de moeder in hoger beroep niet verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren; zodat ervan moet worden uitgegaan dat het hier om een uitdrukkelijke keuze gaat, waarvan niet onvoorstelbaar is dat deze keuze is ingegeven door de grote rechtsgevolgen die een uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft terwijl er nog rechtsmiddelen tegen de beslissing openstaan. In eerste aanleg was een dergelijk verzoek wel gedaan. De moeder was volgens het onderdeel kennelijk ook niet van mening dat ten onrechte niet op een dergelijk verzoek was beslist (in dat geval had zij aanvulling op de voet van art. 32 Rv Pro kunnen verzoeken).
Onderdeel 56betoogt dat partijen direct na ontvangst van de beschikking niet hadden kunnen begrijpen dat het hof ambtshalve de intentie had de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, maar zulks abusievelijk was vergeten. Dit had, nog steeds volgens het onderdeel, anders kunnen zijn, bijvoorbeeld indien het hof deze kwestie uitdrukkelijk op de zitting aan de orde had gesteld. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling kan echter worden afgeleid dat er over dit onderwerp in het geheel niet is gesproken. Het onderdeel betoogt dat voorts niet valt in te zien hoe het voor derden direct duidelijk en kenbaar had moeten zijn dat hier van een vergissing sprake was. Daarom is het hof buiten het toepassingsgebied van art. 31 Rv Pro getreden door desondanks met gebruikmaking van dit artikel de beschikking ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, terwijl er geen sprake was van een kennelijke fout als bedoeld in lid 1 van genoemd artikel. Althans is de herstelbeschikking op dit punt volgens het onderdeel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd, nu onduidelijk is op grond waarvan het hof van oordeel is dat het hier om een voor partijen en derden direct duidelijke vergissing gaat. Een en ander kan niet zonder meer worden afgeleid uit de aard van de zaak, zoals door het hof is aangegeven.
“andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent”, tot verbetering op grond van art. 31 Rv Pro over te gaan. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad leidt een rechtsmiddelenverbod niet tot een niet-ontvankelijkheid als een niettemin ingesteld rechtsmiddel berust op de stelling dat met de bestreden uitspraak buiten het toepassingsgebied van de betrokken bepaling is getreden [13] .
“dat in de beschikking van 28 juni 2012 per abuis de ambtshalve uitvoerbaar verklaring bij voorraad van die beschikking niet is opgenomen”, kan gelden als een
“andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent”. Uit de wetsgeschiedenis valt (zoals het middel terecht betoogt) op te maken dat een dergelijke fout slechts kan worden aangenomen als voor partijen en derden direct duidelijk is dat van een vergissing sprake is. Daarbij kan (wat andere kennelijke fouten dan reken- en schrijffouten betreft) bijvoorbeeld worden gedacht aan het geval dat alle verweren van gedaagde tegen een vordering onjuist zijn bevonden en niettemin in het dictum of dispositief de vordering wordt afgewezen in plaats van toegewezen [14] . Criterium is of de fout niet voor redelijke twijfel vatbaar en voor derden op het eerste gezicht duidelijk is [15] . Vergissingen, die op een materieel verkeerde beoordeling van een geschilpunt berusten, lenen zich volgens de wetgever niet voor verbetering op de voet van art. 31 Rv Pro [16] .
“een andere kennelijke fout”kan bezwaarlijk worden volgehouden, nu de in de raadkamer vastgestelde tekst onder het geheim van de raadkamer valt en voor partijen en derden dus niet kenbaar is. Annotator Vranken spreekt van een
“uitbreiding”van art. 31 Rv Pro, die hij echter beperkt acht tot het geval dat de openbare uitspraak van de in raadkamer vastgestelde tekst afwijkt. Het genoemde arrest wordt ook wel als gelegenheidsuitspraak getypeerd [18] . Ook naar mijn opvatting biedt het geen grond om aan te nemen dat de Hoge Raad daarmee heeft bedoeld het criterium voor vaststelling van
“een andere kennelijke fout”in de zin van art. 31 lid 1 Rv Pro te versoepelen.
“een gezien de aard van de zaak kennelijke fout”sprake. Er zijn op zichzelf goede argumenten voor het standpunt dat de rechter zijn uitspraak in een zaak als de onderhavige in de regel uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren. Uitvoerbaarheid bij voorraad van beslissingen op grond van art. 1:253a BW ligt inderdaad in de rede, alhoewel Pieters, juist met betrekking tot zaken waarin voor een verhuizing naar het buitenland vervangende toestemming wordt verleend, een kritische kanttekening bij die uitvoerbaarheid bij voorraad plaatst [19] :